Emancipatie van vrouwen stagneert

De emancipatie van vrouwen in Nederland stagneert en blijft achter bij de kabinetsdoelen. Dit blijkt uit de Emancipatiemonitor 2004, die het Sociaal en Cultureel Planbureau vandaag heeft gepubliceerd.

De streefcijfers die het kabinet drie jaar geleden heeft vastgesteld voor het jaar 2010 lijken op een enkele uitzondering na niet haalbaar, aldus de onderzoekers. Mogelijk is dit deels te wijten aan de economische malaise. Maar als hoofdverklaring schiet deze tekort, juist omdat vrouwen relatief vaak werken in sectoren die minder conjunctuurgevoelig zijn, zoals het onderwijs en de zorg.

Het SCP wijst nadrukkelijk op het weinig krachtige overheidsbeleid als oorzaak voor de stagnatie. Zo zijn er wel heldere streefdoelen gesteld, maar doet de overheid er weinig aan die ook bekend te maken bij relevante partijen als werkgevers. Dit kabinet is het eerste sinds decennia dat geen aparte bewindspersoon voor emancipatiezaken heeft. Minister De Geus (Sociale Zaken) doet emancipatie `erbij'. In november 2003, op een congres in Rotterdam, zei hij dat ,,de aanwezigheid van vrouwen op nagenoeg alle plekken van de Nederlandse samenleving nagenoeg vanzelfsprekend is''. Het SCP deelt deze opvatting niet. Vanmorgen liet de minister in een reactie weten dat hij optimistischer is dan de onderzoekers. ,,Maar er moet nog een tandje bij'', aldus De Geus.

Hoofddoelstelling van het emancipatiebeleid is al bijna twintig jaar `het scheppen van voorwaarden voor een pluriforme maatschappij waarin ieder, ongeacht sekse, de mogelijkheid heeft een zelfstandig bestaan te verwerven en waarin vrouwen en mannen gelijke rechten, kansen, vrijheden en (sociale) verantwoordelijkheden kunnen realiseren'. Economische zelfstandigheid wordt hierbij gezien als basisvoorwaarde. Iemand geldt als economisch zelfstandig als die ten minste 70 procent van het minimumloon verdient met werken.

Vorig jaar was 41 procent van de vrouwen tussen 15 en 65 jaar economisch zelfstandig. De kans dat het streefdoel voor 2010 – 60 procent – wordt gehaald, achten de onderzoekers gering. In 2003 had 55 procent van de vrouwen tussen de 15 en 65 jaar werk. Ook hiervoor wordt de streefwaarde voor 2010 – 65 procent – waarschijnlijk niet gehaald, aldus de onderzoekers. Verreweg de meeste vrouwen werken overigens in deeltijd.

Ook de realisatie van de doelen voor het percentage vrouwen in hogere functies blijft in vrijwel alle sectoren ruim achter bij de door het kabinet geformuleerde doelen. Alleen in het Europarlement en in de Tweede Kamer ligt het percentage vrouwen op schema.

Opvattingen van werkgevers vormen een belangrijke belemmering. Werkgevers zijn in hun ideeën over het combineren van werk en zorg, en over leiding geven in deeltijd, veel conservatiever dan de bevolking als geheel.

De levensloopregeling, die was bedoeld om de combinatie van werk en zorg te verlichten, zal waarschijnlijk vooral worden gebruikt om eerder te stoppen met werken, aldus het SCP. Kabinetsplannen voor een langere werkweek zullen, zo verwachten de onderzoekers, een stap terug betekenen in het emancipatieproces.

ACHTERGROND: pagina 3