VN-hof laat verdachten vrij: ophef in Servië

Twee van oorlogsmisdaden verdachte Serviërs mogen van het Joegoslavië-tribunaal hun proces in Belgrado afwachten. Hun tijdelijke terugkeer is volgens sommigen een `ongelooflijke fout'.

Jovica Stanišic en Franko Simatovic zijn weer thuis in Belgrado: de twee, verdacht van oorlogsmisdaden, kwamen donderdag uit Den Haag naar Belgrado, nadat het Joegoslavië-tribunaal, zéér tegen de zin van hoofdaanklager Carla Del Ponte, had besloten hun toe te staan naar Servië te gaan tot het begin van hun proces.

Het Joegoslavië-tribunaal geeft wel vaker verdachten de gelegenheid het begin van hun proces in eigen land af te wachten. Het gaat vaak – niet altijd – om de kleine vissen. De regering van hun land geeft garanties dat ze weer in Den Haag zijn wanneer het proces daadwerkelijk begint.

Jovica Stanišic is geen doorsnee-verdachte van oorlogsmisdaden, geen Rambo, geen ex-militieleider en geen ex-legerleider. De reacties in Belgrado waren dan ook verre van doorsnee. Alle grote kranten en zowel radio als televisie wijdden gisteren commentaren aan zijn tijdelijke terugkeer naar Belgrado. En zij waren de enigen niet.

Stanišic was van midden 1991, toen de oorlogen in ex-Joegoslavië begonnen, tot eind 1998, toen die in Kosovo eraan kwam en het fin de régime van Slobodan Miloševic begon te dagen, chef van de machtige geheime dienst van de Servische politie, de SDB. Franko Simatovic was lang Stanišic' plaatsvervanger; hij was ook de eerste commandant van de Rode Baretten, een geheime eenheid van de Servische politie waarvan de belangrijkste leiders later de kern vormden van de maffiabende van Zemun en die in 2000 oud-president Ivan Stambolic en in maart 2003 premier Zoran Djindjic vermoordden. Stanišic en Simatovic werden gearresteerd na de moord op premier Zoran Djindjic en spoedig daarna door de Servische regering aan het Joegoslavië-tribunaal uitgeleverd. Dat verdenkt hen van oorlogsmisdaden in de oorlogen in Kroatië en Bosnië. In eigen land zijn de twee nergens van beschuldigd, ook al werden ze opgepakt wegens hun vermeende rol bij de moord op Djindjic.

Stanišic was in de jaren negentig de facto de tweede man van het land, na Miloševic. Zijn invloed op de president was groot, en niet altijd negatief van aard: het was Stanišic die eind 1996 Miloševic overtuigde geen grof geweld te gebruiken tegen de oppositie die maandenlang met dagelijke betogingen de zege bij de lokale verkiezingen opeiste en die Miloševic begin 1997 overtuigde die zege te erkennen. Zijn grote invloed op Miloševic leverde hem de vijandschap op van Miloševic' invloedrijke vrouw Mira Markovic, de drijvende kracht achter Stanišic' ontslag in 1998. Na de val van Miloševic – ook daarbij speelde Stanišic een belangrijke rol – begon zijn invloed te tanen toen hij een van zijn geheime agenten naar Miloševic' opvolger, president (nu premier) Vojislav Koštunica, stuurde met de melding dat er nauwe banden bestonden tussen Koštunica's ministers en de maffiabende van Zemun. Die agent werd prompt vermoord.

Het `verraad' van Stanišic leidde tot zijn val: al de politici uit de regeringspartijen èn de oppositie die direct of indirect betrokken waren geweest bij Miloševic' regime, de milities uit de oorlogen, de smokkeloperaties waarmee sancties waren ontdoken, de oorlogsmisdaden, de nauwe relaties tussen politiek en maffia werden erdoor gealarmeerd. Na de moord op Djindjic wist de justitie niet hoe snel ze hem en zijn vroegere plaatsvervanger moest arresteren en wegsturen, naar Den Haag: deze twee wisten alles van iedereen, wisten precies welke politici hoeveel boter op het hoofd hadden en hoe die politici zich tijdens het tijdperk-Miloševic hadden gecompromitteerd.

Algemeen gaat men er in Belgrado van uit dat de twee hun voorlopige vrijlating te danken hebben aan Amerikaanse druk. Het blad NIN schreef dat de Amerikanen een gunstige indruk van Stanišic hebben sinds hij eind 1996 en begin 1997 bloedvergieten voorkwam in de ruzie over de lokale verkiezingen. Volgens NIN hadden de Amerikanen zelfs graag gezien dat hij Miloševic opvolgde. Het blad Evropa schreef dat de CIA zelfs juridische bijstand voor de gevangen Servische collega heeft gezocht toen die eenmaal in Den Haag was beland.

De Servische media zien de politieke barometer in Belgrado flink oplopen als gevolg van de tijdelijke vrijlating van Stanišic: Stanišic heeft nog steeds veel invloed bij leger en politie. En hij weet alles. De politici met boter op het hoofd, zowel uit het voormalige Miloševic-kamp als uit de toenmalige oppositie, zullen – aldus het nieuwsbulletin VIP – voorlopig niet rustig slapen.

Maar zij zijn de enigen niet. Nataša Kandic, Serviës meest prominente activiste voor de mensenrechten, slaapt ook niet rustig. Ze is des duivels: de terugkeer van de twee heeft negatieve gevolgen voor de processen tegen hun vroegere ondergeschikten – leden van de Rode Baretten die opgingen in de Zemun-bende – die nu terecht staan wegens de moord op ex-president Stamolic en voor die op premier Djindjic, zo betoogde ze. ,,Het weinige dat in die processen is bereikt zal worden tenietgedaan. We hebben informatie dat de intimidatie van getuigen al is begonnen. Degenen die intimideren zitten in de ministeries, de politie en het leger'', aldus Kandic. De voorlopige vrijlating van de twee door het Joegoslavië-tribunaal, zei ze, ,,moedigt de anti-Den Haag-lobby [in Servië] aan'' en is ,,een ongelooflijke fout''.