Topsporter zonder oogkleppen

De onlangs gestopte schaatser en wielrenner Jeroen Straathof heeft altijd oog gehouden voor de wereld buiten de sport. Nu richt hij zich op kinderen die leven in ontwikkelingslanden. ,,Ik weet niet of ik met oogkleppen verder was gekomen.''

Of hij nu ook ook al ging proberen om aan een WK-finale voetbal mee te doen. Dat kreeg schaatser, wielrenner én oud-voetballer Jeroen Straathof deze week naar zijn hoofd toen hij voetbalstadion De Kuip betrad. ,,Ik ben beschikbaar'', zei hij lachend. Niet alleen beschikt hij over voetbalschoenen, hij stond in zijn jonge jeugd links achterin. ,,Precies de plaats waar Feyenoord wel versterking kan gebruiken.''

Maar Straathof heeft het voetbal helemaal niet nodig om een unieke plaats in de sportwereld in te nemen. Nooit eerder nam een sporter immers deel aan de Olympische Winterspelen, de Zomerspelen en de Paralympics. ,,Ik weet dat het uniek is, maar zelf sta ik er nogal nuchter tegenover. Die deelnames hangen van toevalligheden aan elkaar. Maar misschien zal ik toch nog eens contact opnemen met het Guinness Book of Records voor een vermelding.''

Zijn vriendin werd na een schaatsongeluk actief in het rolstoelbasketbal. Via de gehandicaptensport kwam Straathof in contact met de bijna blinde wielrenner Jan Mulder die een maatje voor op de tandem zocht. ,,En tijdens trainingen op die tandem op de baan in Alkmaar kwam ik in contact met de Nederlandse wielerploeg die mij vroeg om eens mee te komen trainen.'' Na de winterspelen in 1994 (negende plaats 1.500 meter) en de Paralympics in 2000 (gouden medaille) behaalde hij met de Nederlandse wielerploeg een vijfde plaats op de achtervolging. ,,Ik heb nog wel iets op mijn verlanglijstje staan. Ik zou ook eens een klassieker bij het wegwielrennen willen winnen.''

Maar dan wel bij de amateurs, want vorige maand maakte Straathof bekend met topsport te stoppen. Eind 2001, na het missen van de Spelen in Salt Lake City, had hij het schaatsen al gestaakt. Nu stopt hij ook met het baanwielrennen. In Athene behaalde hij deze zomer met de Nederlandse ploeg een vijfde plaats op het onderdeel achtervolging. ,,Als sporter moet je een direct doel hebben waarop je je kan richten. In 2002 had ik dat met schaatsen niet meer. Ik kon me niet meer opladen voor bijvoorbeeld het WK sprint, waar ik dan tussen de vijftiende en twintigste plek zou belanden. Ik heb toen twee jaar geïnvesteerd in het wielrennen. Na Athene vroeg ik me af of ik als 32-jarige nog wel steeds van huis van wil zijn en in trainingskampen van vier weken wil zitten. Het antwoord is nee en daarom heb ik voor een maatschappelijke carrière gekozen.'' Sinds 1 december is hij voor de humanitaire organisatie Right to Play actief.

Hij kijkt tevreden terug op zijn carrière, ondanks dieptepunten als het tweemaal mislopen van de Winterspelen (1998 en 2002). ,,Voor mij staat de eigen sportbeleving centraal. Natuurlijk hangt die beleving samen met je prestaties maar plezier kan je ook uit een heerlijke training halen. Als ik niet tevreden was geweest, had ik natuurlijk niet moeten stoppen. Ik heb er vrede mee en kijk terug op een fantastische tijd, ondanks de teleurstellende momenten. En natuurlijk begrijp ik ook wel dat de buitenwereld mij op mijn prestaties afrekent.''

Straathof leek voorbestemd te zijn de absolute top te halen toen hij als 20-jarige in 1992 wereldkampioen schaatsen bij de junioren werd. ,,Weinig mensen weten nog maar dat ik die prijs op éénhonderste punt heb gewonnen. Op de slotafstand van de vijf kilometer moest ik 7.34,04 rijden en het werd 7.33,94.''

Deze titel werd in 1996, toen voor het eerst mondiale afstandskampioenschappen werden gehouden, nog gevolgd door een wereldkampioenschap op de 1.500 meter. De grote successen waren toen op en Straathof moest vaak de belangrijkste toernooien aan zich voorbij laten gaan. Door tegenvallende tijden of door valpartijen. Daarbij had hij `de pech' vooral uit te blinken op het koningsnummer, de 1.500 meter, waar de concurrentie het grootst is. Een echte allrounder of sprinter was hij niet. Het grote talent kreeg in de media zelfs een keer het predikaat `schlemiel'.

Straathof weet uit eigen ervaring hoe de publiciteit met een imago op de loop kan gaan. ,,Ik word ook meestal molenaarszoon genoemd'', zegt hij lachend. ,,Mijn vader werkte bij een veevoedersbedrijf waar graan machinaal werd gemalen. Dat heeft niets met een molen te maken, maar je leest het nog altijd.''

Van gebrek aan waardering zegt Straathof nooit last te hebben gehad, ook al heeft hij de echte top niet gehaald. ,,Integendeel. Ik word prima gewaardeerd. Het verbaast mij juist dat mijn aankondiging om met topsport te stoppen zoveel publiciteit heeft opgeleverd. En ik krijg geregeld leuke reacties van mij onbekende mensen. Toen ik mij niet gekwalificeerd had voor Salt Lake City in 2002 kwam er een paar dagen later tijdens het boodschappen doen een wildvreemde man op mij af. `Jeroen, voor mij ben je een fantastische sportman', zei hij. Dat maakte wel indruk.''

Die waardering van de buitenwereld heeft wellicht te maken met de sociale instelling van de Leidenaar die topsport nooit met oogkleppen heeft bedreven. ,,Ik weet niet of ik met oogkleppen verder was gekomen. Gelukkig ben ik altijd mezelf gebleven. Ik vind het moeilijk om te zeggen of de schaatsers van nu zichzelf nog zijn. Sommigen laten zich misschien wel erg makkelijk afschermen door managers en zo. Maar goed, ik ben niet superbekend en kan gewoon m'n boodschappen doen.''

Straathof gelooft niet dat de wereld van topsport zoveel harder is dan bijvoorbeeld het bedrijfsleven. ,,Het leuke van een groep schaatsers is dat zij elkaar tijdens trainingen nodig hebben om sterker te worden, ook al weet je dat je ook elkaars concurrent ben. In het bedrijfsleven zijn mensen toch meer met zichzelf bezig. Maar als je elkaar meer gunt, kom je volgens mij samen verder.''

Ondanks de intensieve omgang met collega-schaatsers spreekt Straathof zijn voormalige collega's hoogstens incidenteel. ,,Inderdaad heb ik jaren meegemaakt dat ik tweehonderd dagen per jaar in trainingskampen zat. Dan is het vooral belangrijk dat de sfeer goed is, en meestal lukte dat ook wel. Maar vriendschappen heb ik er niet aan over gehouden. Ik heb mijn eigen sociale leven.''

De gedachte om definitief met topsport te stoppen werd concreet tijdens zijn fietstocht na de Paralympics in september. ,,Vanuit Athene ben ik met de broer van mijn vriendin naar Inzell [in het zuiden van Duitsland] gefietst, door Albanië en Servië/Montenegro. Je zit vijf, zes uur per dag op een fiets, dus dan heb je alle tijd om over je toekomst na te denken of te praten. Voor een zwart gat na mijn sport ben ik nooit bang geweest, dat hangt helemaal van jezelf af. En ik ben natuurlijk geen voetballer die na zijn carrière nooit meer hoeft te werken omdat hij financieel onafhankelijk is. Zoveel heb ik niet verdiend.''

In Albanië werd hij nog eens gewezen op het grote verschil in ontwikkeling en rijkdom. ,,We raakten met een oudere vrouw in Albanië in gesprek. Met handen en voeten en met Wat en hoe in het Albanees begrepen we dat zij al meer dan veertig jaar niets had geschreven of gelezen. Op het boerenland had ze dat nooit nodig gehad, dus ze was nauwelijks in staat om haar eigen naam te schrijven.''

In 2002 was Straathof al in Zimbabwe geweest – op de fiets natuurlijk – waar de zus van zijn vriendin een project leidde. ,,In dat project stond sportontwikkeling centraal. Toen zag ik hoe belangrijk sport kan zijn binnen zulke gemeenschappen.'' Een jaar later werd hij gevraagd om ambassadeur te worden voor de humanitaire organisatie Right to Play en begon voor hem helder te worden welke richting zijn maatschappelijke carrière op zou gaan. Vorige week trad hij bij de door schaatser Johann Olav Koss opgerichte organisatie (voorheen Olympic Aid) in dienst. ,,Ik val met de neus in de boter. Binnen Nederland ben ik verantwoordelijk voor het organiseren van evenementen en het binnenhalen van sponsors. Al voor februari staat een estafetteloop gepland van Den Haag naar Inzell, zo'n 1.200 kilometer. Zulke evenementen moeten geld opleveren voor ons werk in de derde wereld.''

Hij noemt Right to Play gewoon ,,een bedrijf'' dat als doel heeft zoveel mogelijk geld op te halen voor kinderen in ontwikkelingslanden. ,,Alleen al in Nederland staan er voor volgend jaar meer dan vijftig evenementen op het programma in het kader van Right to Play.'' De organisatie wil kinderen via sport een beter leven proberen te geven. Naast sportieve initiatieven draaien er ook gezondheidsprogramma's die mensen op het belang van vaccinaties en de gevaren van bijvoorbeeld Aids wijzen. Inmiddels zijn zo'n half miljoen kinderen betrokken bij de projecten van Right to Play.

,,Ik weet uit eigen ervaring hoe belangrijk sport voor kinderen is'', zegt Straathof. ,,Het schaatsen heeft mij hoe dan ook gevormd. Soms zie ik mijn buurtgenoten uit Zoeterwoude wel eens en als ik dan vergelijk met wat ik allemaal heb mee mogen maken... Dat is geen oordeel, maar een constatering.''

Op veertienjarige leeftijd was Straathof al dagelijks aan het trainen. Langebaanschaatsen en short track kostten toen al zoveel tijd dat hij het voetbal moest laten schieten. ,,Ik speelde toen bij de D1 van SJZ uit Zoeterwoude en met dat team zijn we nog winterkampioen geweest van de regio. Soms vraag ik me wel eens af hoe ik was terechtgekomen als ik niet voor schaatsen maar voor voetbal had gekozen. Had ik de top dan gehaald? Toen ik deze week in de Kuip was en met die rode bal [het symbool van Right to Play] liep, moest ik daar nog aan denken.''