Pluche

Maandag wordt Raymond Goethals begraven. In de monumentale basiliek van Koekelberg. Vergeleken met de basiliek van Koekelberg is de kerk in Delft een kapel. De basiliek is nog eens opgetuigd met een enorme kerststal vol opgezette olifanten, tijgers en giraffen. Zowat het hele oerwoud is mee naar Nazareth gekomen. Daar kan een affuit niet tegenop.

Raymond-la-Science – Raymond de Wetenschap – zoals hij werd genoemd, zou bij leven en welzijn niet eens hebben opgekeken. Zijn heelal was bal en man. Alles daarbuiten ontging hem, Vrouwen, goden, maatschappij en politiek, hij had er niets mee. Des te lyrischer was hij over Robbie Rensenbrink en Simon Tahamata, Nederlanders nog wel. Rensenbrink was onder Goethals de ster van Anderlecht, Tahamata werd door hem geregisseerd bij Standard Luik. Nooit nog, hield hij tot zijn tachtigste vol, was hij zulke geniale wervelwinden tegengekomen.

Goethals kwam openlijk uit voor zijn adoratie. Hij droeg zijn spelers op handen, krols van liefde zowaar. Ik ken vandaag geen trainer die dat nog wil of durft. De moderne coach is verintellectualiseerd. Ergo: diepgevroren in ernst en analyse. Gel over het hart. Je ziet het niet meer, een trainer die uit zijn emotie en passie barst. Is ook moeilijk in die gesteven clubkostuums van Oger. De dug-out is pluche geworden.

Misschien is dat wel het probleem van Ronald Koeman. De macho van de polder lijkt opeens verklerkt te zijn in zijn motoriek, wat iets anders is dan het treurige cliché van lichaamstaal. Alle zwierigheid is weg, gestold als het ware in beursgenoteerde zelfcensuur. De ambtenaar Ronald Koeman. Zo draagt hij nu het lichaam, maar het hoofd zit anders in elkaar. Het hoofd wil nog wél kraaien en stoeien. Past helaas niet bij Ajax. Het verscheurende conflict tussen lijf en zinnen brengt Ronald Koeman in verwarring. Het lieve, blozende voetbalbeest hinkt zijn diepste zelf achterna.

Dan krijg je misverstanden met Rafael van der Vaart. Eerst was er sprake van een open gesprek. Een nacht later viel het woord 'staking' en na de ochtendtraining was Van der Vaart aanvoerder af. Dat kan ik geen korte pijn noemen.

Uitgestelde woede is gespeelde woede. Daar kom je niet mee weg in een spelersgroep. Voetballers hebben de antennes van het instinct. Zij kennen de rek in het gemoed van hun coach. Reken maar dat ze weten wanneer het menens is en wanneer de hiërarchische tapdanser in de mens-coach het overneemt. Koeman was in ieder geval te laat met zijn sanctie voor Rafael van der Vaart. Louis van Gaal zou dat ,,verkruimeling van gezag'' noemen. Nou ja, Louis blafte dan weer zichzelf voorbij.

Ajax heeft een aanvoerdersprobleem. Eerst was Jari Litmanen de gedroomde aanvoerder van Ronald Koeman. Vreemd, want je kon er gif op innemen dat Jari niet langer dan een kwartier per seizoen in het veld zou staan. Thomás Galásek was ook nog captain van Roodwit, maar Koeman oordeelde dat hij te weinig verve had in zijn leiderscapaciteiten. Dus werd voor Van der Vaart gekozen. Nu moet Galásek toch weer voorgaan in de strijd met de band om de arm. Zoveel draaierigheid is door André van Duin niet te behappen.

Natuurlijk is Ronald Koeman een trainer van deze tijd. De betreurde Raymond Goethals was dat allang niet meer. Voor Raymundo was voetbal een soort koeterwaals: zwepen, dwepen, hakkelen, verhakkelen en winnen. Raymond-de Groteske, veel meer dan Raymond-la-Science.

Toch wil ik niet meeblaten in het koor van dédain en lachwekkendheid dat de Nederlandse media zo leedvermakelijk over de overleden Belgische coach hebben uitgegalmd. Ik heb geen zin in de anekdotes van Goethals, in zijn gedresseerde eenzaamheid, in zijn cultuurtje van verbastering, in zijn dialectische folklore. Ik zie vooral de schoonheid van een man in regenjas. Columbo, maar dan met sigaret. Een man uit de jaren dertig: zwartwit. Multicolor was alleen zijn blablaba.

Goethals volgde Franz Beckenbauer op als trainer van Marseille. Der Franz bleef in functie, maar moest de training overlaten aan Raymond. Franz had een auto, Raymond niet. Iedere ochtend pikte Beckenbauer Goethals op aan zijn hotel. Een Pruis als chauffeur, noem mij één Nederlandse trainer die dat privilege heeft gekend. Rinus Michels niet.

Goethals, Michels, Koeman, ik kan ze niet anders zien dan als een triumviraat in eenzaamheid. Het allerergste is nog: ze wisten het niet van elkaar.