`Mijn vrouw doet de boekhouding en de euthanasieformulieren'

Journalist Jan Blokker had longkanker, net als prins Bernhard die hem twee keer belde. Hij werd bestraald en hij liet zich opereren. Maar hij bleef z'n werk doen. `Ik kan niet voorbij het moment denken dat ik geen stukje meer kan schrijven.'

Het plan om Jan Blokker over de naderende dood te interviewen was er al. Hij bleek een paar jaar geleden longkanker te hebben, een ziekte waarmee mensen meestal niet lang meer leven. De dood van Bernhard was de reden om het plan nu uit te voeren. Jan Blokker schreef op 2 december in de Volkskrant dat Bernhard hem vorig jaar gebeld had om te informeren waarom hij nooit meer wat van hem las. Had hij er de brui aan gegeven? Of was hij ziek?

Vorige week had Bernhard hem weer gebeld, nadat Blokker hem een kaartje had gestuurd met de aanmoediging om zich niet te laten kisten. Ze hadden tien minuten gepraat en veel gelachen. Bernhard vroeg hem of hij het gedicht kende van de oude Engelsman die niets meer kan, maar zichzelf zes coupletten lang voorhoudt: I'm awfully well for the shape where I am in.

Op de dag van Bernhards dood had Blokker het gedicht bij de post gevonden.

I get up each morning and dust off my wits,

and pick up the paper and read the `obits'.

If my name is still missing I know I'm not dead,

so I finish my breakfast and go back to bed.

Bij het maken van de afspraak voor dit gesprek zegt Jan Blokker dat hij nog nooit over doodgaan heeft nagedacht. Dus of het zin heeft om naar hem toe te komen? En aan het begin van het gesprek, maandag bij hem thuis in Amsterdam, vraagt hij, nadat hij thee heeft gezet, waarover het ook al weer zou gaan. Doodgaan? Daar kan hij kort over zijn. Daar weet hij niets van.

Hij vertelt over het telefoongesprek van vorig jaar, toen hij net geopereerd was en in zijn huis in Frankrijk verbleef. ,,Bernhard riep onmiddellijk dat hij in december 1998 ook aan longkanker was geopereerd en dat hij in januari 1999 al weer op jacht was gegaan in Spanje. En hij zei (Jan Blokker doet Bernhards Duitse accent na): zegt u nou eerlijk, u bent geen aanhanger van de monarchie. Ik wou zeggen: Hoogheid, of Prins, of wat zeg je tegen zo iemand, dat valt wel mee. Maar toen zei hij al dat het hem niet kon schelen, zijn eigen advocaat was ook republikein.''

Jan Blokker dacht dat Bernhard zich wel erg moest vervelen, in dat grote paleis, helemaal alleen met die andere majesteit die toen nog leefde, maar met wie geen gesprek meer mogelijk was. ,,Die man dacht: wie zal ik nou weer eens bellen?'' Maar hij vleit zich ook met de gedachte, zegt hij, dat Bernhards belangstelling oprecht was.

Wanneer werd u ziek?

,,Ik ben helemaal niet ziek geweest. Ja, ik had iets aan mijn hart. Maar ik ben niet eens gedotterd of gecatheteriseerd of hoe heet dat. Iedere boerenpummel wordt tegenwoordig gecatheteriseerd. Ik niet. U bent echt aan het verkeerde adres hoor.''

Hij praat toch door. ,,Ik had een beetje pijn en ik ging naar de cardioloog – hij is beroemd geworden doordat hij de buurman van Gretta Duisenberg is. Hij was degene die haar belde om te zeggen dat ze die verschrikkelijke vlag nou eens moest weghalen. Reden om hem heel aardig te vinden. Van die cardioloog moest ik elk half jaar een foto laten maken, en op een dag belde hij me op. Ik hoefde niet ongerust te zijn, het kon best een foutje van het fototoestel zijn, maar er was iets ontdekt. Dat iets bleek een tumor te zijn. Of twee tumoren, geloof ik.''

Hoe reageerde u?

,,Ik had het gevoel dat je vroeger op school wel eens had, als je net op de dag dat je je huiswerk een keer niet had gemaakt een onverwacht proefwerk kreeg. In slechte boeken heet dat: door de grond zakken. Toen ik weer buiten het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis stond, waar de longarts naar wie ik was verwezen zitting hield, heb ik ernstig overwogen om het aan niemand te vertellen. Ik heb altijd verwantschap gevoeld met katten die als ze weten dat ze dood gaan ergens wegkruipen waar je ze niet vindt. Aan hun lijf geen polonaise. We gaan die aardige mensen die ons ons hele leven zo braaf hart en kattenvoer hebben gegeven hier nu niet mee lastigvallen. Ik ben naar huis gelopen. Ik dacht: als er een tram aan komt, ga ik er niet hard voor hollen. Bij het bestijgen van de trap dacht ik nog: ik vertel het aan niemand. Maar ik heb het niet gedurfd.''

Waarom niet?

,,Het was toch een beetje lullig. En hier verderop wonen de twee huisartsen bij wie ik kom. Ik dacht: die krijgen op hun computerscherm te lezen dat bij patiënt zus en zo die en die ziekte is vastgesteld. En dan gaan ze me natuurlijk bellen.''

Wat had de longarts tegen u gezegd?

,,Dat er twee tumoren zaten, en dat het verholpen kon worden met een operatie, waarbij hij de percentages noemde van de mensen die er beter van werden of niet beter van werden. Ik zei meteen dat ik dat niet wou. Ik zou na een week terugkomen.''

Beetje laf, om het zo te ontkennen.

,,Jaja, u hebt gemakkelijk praten. Wat een goedkope psychologie. Ik ben een groot ontkenner van dingen die ik niet wil weten. De aanvechting tot lafheid is mij niet vreemd. Maar dit heb ik niet aan mezelf ontkend. Dit was niet laf.''

Wat zei u na die week tegen de longarts?

,,Dat ik niet geopereerd wilde worden. Ik had er geen zin in.'' Hij citeert de schrijver W.F. Hermans in Het sadistische universum: ,,Als je naar de dokter gaat, word je beter of ga je dood. Maar is er ook een tussenvorm? Dat je na de operatie een zombie bent? Daar wilde ik helemaal niet aan denken. Het punt is...'' Hij onderbreekt zichzelf, verontschuldigt zich voor de ,,ingewikkelde woorden'' die hij nu gaat gebruiken. ,,Wat is kwaliteit van leven?'' Hij houdt meteen weer op en zegt: ,,Dat geleuter.''

Dan weet hij hoe hij het wél wil zeggen. ,,Het leven valt voor mij samen met het kunnen gebruiken van mijn hersens, met stukkies schrijven, met lezen, met nadenken. Als ik, door een hersenbloeding getroffen, als een mummelende idioot in een rolstoel kom te zitten, is dat vervelend voor mijn omgeving, niet voor mij. Voor mij is het erg als ik niks meer kan, maar nog wel op een laag pitje kan analyseren hoe ik erbij lig, of zit. Dat lijkt me verschrikkelijk.''

U zou rustig kunnen afwachten

,,Waarop?''

Op de dood.

,,Ik ben bereid te wachten tot het eten op tafel staat, of dat een mooie vrouw me vraagt om met haar naar bed te gaan. Maar ik heb geen zin om half bewust te gaan liggen wachten tot het allemaal voorbij is.''

Niet opereren betekende ook afwachten. Wat stelde u zich erbij voor?

,,Dat was ook een vorm van afwachten geweest, ja. Het kon twee jaar duren, of drie jaar – dat was niet duidelijk. Ik heb me neergelegd bij het compromis van de longarts, die net bezig was met een nieuwe bestralingstechniek waarmee zoiets kon worden weggebrand. Toen heb ik me met grote lankmoedigheid ten aanzien van mijn lot wekenlang naar het ziekenhuis gesleept, elke keer om zes uur op, eerst om te laten uitzoeken wat voor tumoren het waren en hoeveel straling ze moesten hebben, en toen om me drieënveertig keer op zo'n plank te laten leggen voor de behandeling. Troosteloos gezeur was het. En ik heb al die tijd gewoon gefunctioneerd. Ik heb niemand in vertrouwen genomen. Ik heb nooit een gezicht hoeven trekken omdat iemand met de rouw in zijn ogen naar me toe kwam om te vragen hoe het met me ging.''

En daarna?

,,Toen zei de radiologe dat ze weg waren. Dat was een vrolijke boodschap. Drie, vier maanden later kwam ik op controle, en toen zaten ze er weer. Wat wilt u verder nog weten?''

Waarom u zich toch hebt laten opereren.

,,Onder druk van mijn vrouw en kinderen. En zelf dacht ik: het is toch wel lullig. O ja, ik vergeet te zeggen dat de medici tegen mij zeiden dat de kans dat het mes zou uitglijden en ik als een debiel wakker zou worden heel klein was. En mijn huisarts kwam tegen me aan praten dat het misschien nog vier jaar zou duren als ik zou afwachten, maar het kon ook een half jaar zijn. En hij vertelde me met nogal wat bloederige, authentiek klinkende details hoe ik dan aan mijn eind zou komen. Ontstekingen, stikken, weet ik veel. Hij zei: luister naar mij, ik heb ervoor gestudeerd, ik zou het nooit zo doen.

,,Toen was het binnen anderhalve week geregeld. Het leukste vond ik dat de thoraxchirurg, dokter Eisma genaamd, de avond voor de operatie bij me kwam zitten en ging uitleggen hoe stom het van me was geweest dat ik me had laten bestralen. De longen konden nu wel vastgekleefd zitten aan mijn ribben, dat gesodemieter. Typisch de ouderwetse slager die een hekel heeft aan de moderne poelier. Toen hij wegging zei hij: tot morgen, u zult wel niet slapen, maar onthou dit: het mes is schoon.''

Had u nagedacht over euthanasie, voor als het toch mis zou gaan?

,,Jawel.'' Hij loopt heen en weer door de kamer – zijn werkkamer, met overal, overal boeken, en een hometrainer. ,,Ik heb met goedvinden van mijn kinderen die formulieren aangevraagd.''

En u hebt ze ook ingevuld?

,,Dat heeft Anneke gedaan.'' Dat is zijn vrouw. ,,Anneke doet de boekhouding en de euthanasieformulieren.''

Wat stelde u zich daarbij voor?

,,Weet ik niet meer. Heb ik niet onthouden.''

En nu?,,Jaja, dat wilt u weten hè. Ik zeg het maar vast voordat u het zegt: dat verdring ik ook. Ik heb een talent voor verdringing. In die hele periode waarin ik steeds weer op die rare plank moest liggen, met strepen op mijn pens, en al die kale koppen om me heen, en de pruikenwinkel waar je langs loopt – in die hele periode heb ik nooit gedacht: daar hoor ik bij. Nooit. Ik ben mijn werk blijven doen. En hoe meer ik daarmee bezig was, hoe beter het met me ging.''

Wat moest u verdringen?

,,Ik wil het heus wel een keer zeggen hoor: ik was bang. Maar ik kan het ook omdraaien, graag zelfs, en dan zeg ik: als ik écht bang was geweest, had ik het nooit kunnen verdringen. Ik heb het hele probleem eerst klein gemaakt, uit doodsnood. Schrijf dat maar op. Uit doodsnood. Ik heb het klein gemaakt om het te kunnen verdringen. Want in de normale omvang was het te overweldigend. Wat wou u verder nog weten?''

Hij leidt de aandacht af door te beginnen over het schaaltje met borstplaat dat bij de thee staat – neergezet door zijn vrouw. Hij zou er wel zin in hebben, zegt hij, maar hij neemt er niet van. Sinds de operatie, maart vorig jaar, probeert hij af te vallen. ,,Ik had me al vaak geërgerd aan mijn omvang, maar ik was altijd te labbekakkerig om er wat aan te doen. Maar nu lukt het dus wel hè.''

U rookt ook niet meer.

,,Ik heb lang in het ziekenhuis gelegen, met heel veel geneesmiddelen in mijn pens, en dan die ziekenhuislucht. Het is een manier om ermee op te houden. Ik denk nog wel eens, als iemand rookt: mag ik een trekje? Maar dan denk ik meteen: nee, niet doen.''

Hij vertelt over een andere keer dat hij in het ziekenhuis lag en ook niet kon roken, in 1958, in Berlijn, waar hij voor de krant – toen nog het Handelsblad – naar een filmfestival was geweest. Hij was om drie uur in de nacht in zijn pension aangekomen, met ,,een slok op'', en een ,,waanzinnige pijn in zijn liesstreek''. Er zat een grote bobbel. ,,Ik dacht: niet zeuren, Blokker. Maar ik kon niet liggen, niet zitten en niet staan, ik hield het niet meer. Om zes uur ging ik in dat waanzinnig prachtige, vooroorlogse huis waar het pension in was gevestigd naar de pensionhoudster en vroeg of ze een dokter wilde bellen. Er kwam geen dokter, er kwam een verpleegkundige. Ze keek en ze vroeg: hoe laat is het begonnen? Ze holde naar de gang om te bellen, en binnen vijf minuten kwam de dokter. Die vroeg ook: hoe laat is het begonnen?

,,Nou goed, het was een beklemde breuk, de darmen stulpten eruit, en als dat een paar uur duurt ben je dood. Ik werd naar een oud nonnenklooster gebracht – op twee hoog was het ziekenhuis, op één hoog was niks, alles was daar nog kapot, en op drie hoog was een kliniek voor venerische ziekten. En er tegenover was een bordeel voor Amerikaanse soldaten. Waarom vertel ik dit nou?''

Het ging over niet meer roken.

,,O ja. Ik heb daar veertien dagen gelegen, en op de dertiende dag kwam er zo'n verpleegster uit De Lach, met zo'n knotje, en die zei, met de tevredenheid alsof zij het was die me beter had gemaakt, dat de dokter had verklaard dat ik genezen was. En toen zei ze, terwijl ze daar in die deurpost stond: können wir wieder ein Zigaretchen rauchen.

,,Ik lag daar alleen op die kamer, met uitzicht op het bordeel aan de overkant, en ik dacht: verdomd, ja. Ik had een nog pakje king size sigaretten, Pall Mall, ik pakte er één, een heel grote, ik streek een lucifer af, stak hem in mijn bek, en nog voor het eerste trekje binnenkwam, wierp ik hem van me af – zo smerig, zo'n weerzin.

,,Ik heb een boek gepakt en ben gaan lezen. Maar al lezend dacht ik: wat raar, waarom zou ik die sigaret niet meer lekker vinden? Nou, u voelt hem al aankomen, de tweede trek was nog steeds niet lekker, maar 's avonds was het hele pakje op.''

Spijt?

,,Ik dacht altijd wel dat er een verband bestond tussen eh... Maar ik heb mijn hele leven echt waanzinnig veel gerookt.''

U dacht nooit dat u eraan zou kunnen doodgaan?,,Nee. Ik ben geen tobberig type. Ik heb altijd geleefd met het perspectief: als ik niet meer kan, zie ik wel weer. Sommige lichamelijke functies zijn wel minder geworden. Ik hijg bij het trappenlopen. En als ik erover nadenk, wat ik wel eens doe, maar niet tobberig, dan denk ik: ja, nee, natuurlijk, langzamerhand krijg ik dat er ook nog bij, en dat, en dat. Maar ik kan niet voorbij het moment denken dat ik geen stukje meer kan schrijven. Veel mensen vragen me: hoe lang ga je nog door? Ik zeg: tot ik erbij neerval. Zo moet het maar gaan.''

Hij praat nu door zonder vragen af te wachten. ,,De mens is sterfelijk, waarom moet ik daarover zeuren, of tobben, of nadenken, of erbij stilstaan? Het is zo. Het mooiste antwoord op de vraag hoe het is om dood te gaan komt van Reich-Ranicki, de Duitse literatuurcriticus, die zei dat hij ontzettend de pest in zou hebben, want dan miste hij Der Spiegel van de volgende week. Zo zie ik het ook, dat wil ik wel bekennen. Er zijn dingen die ik gewoon wil weten, en die ik niet meer zal weten als ik dood ben. Het is een vorm van jaloezie. U kunt Der Spiegel die ik straks niet meer kan lezen wél lezen. Ik wil ontzettend graag de val van Balkenende meemaken. Ik wil ook ontzettend graag weten hoe het afloopt met het hysterische debat in Nederland over het minderhedenvraagstuk. U begrijpt hieruit dat ik nog heel lang wil leven. Misschien is dat wel wat vitaliteit wordt genoemd. Ik heb er nog lol in. Een Prins Bernhard-achtig gevoel, zou ik zeggen.''

Hij kijkt nu heel tevreden.

Jan Blokker heeft om zijn pols een gevlochten armbandje, versleten en een beetje groezelig. Hij wil wel uitleggen waarom. ,,Ik mag het eigenlijk niet zeggen, want het geeft scheve ogen, maar ik zeg het toch: ik heb een kleinkind dat heel bijzonder is, ze was acht toen ik geopereerd werd, en toen heeft zij dit voor mij gepunnikt of hoe heet dat, en ze gaf het me met de verzekering dat het een geluksarmbandje is. Ik kreeg er ook gelukssteentjes bij. Ja, het is het begin van bijgeloof, maar ik ben eraan gehecht. En ik vind het ook mallotig.''

Op een andere toon: ,,Ik zag vanmorgen Thom Hoffman op de televisie – ik kon niet meer slapen, ik was al heel vroeg uitgeschoren en uitgefietst (op de hometrainer), dus ik keek naar de ontbijttelevisie en daar zat Thom Hoffman te vertellen over dat oranje armbandje dat nu in anderhalf miljoen stuks over Nederland wordt uitgekwakt, voor solidariteit en respect en al die andere onzin, en ik dacht: gelukkig is mijn armbandje niet oranje. En mijn armbandje heb ik alleen om mezelf te redden.''

Was u nog bang toen u geopereerd werd?

,,Nee. In zo'n geval komt er iets over me, dan móét het gewoon. En ik ben te schijterig om op het laatste moment te zeggen: doe maar niet. Toen ik weer bij kennis was, waren er twee dingen die ik wilde weten: of Ajax gewonnen had, en of de oorlog in Irak was begonnen.''

Jan Andries Blokker

werd op 27 mei 1927 geboren in Amsterdam. Na de HBS studeerde hij Nederlands en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1951 debuteerde hij met de novelle Séjour. Hij won er de Reina Prinsen Geerlingsprijs mee. Van 1952 tot 1954 werkte hij op de kunstredactie van Het Parool. Daarna ging hij naar Het Handelsblad, waar hij filmredacteur werd en Henk Hofland en Harry Mulisch leerde kennen, net zo oud als hij. In 1958 schreef hij zijn eerste filmscenario, voor Bert Haanstra's film Fanfare.

Jan Blokker ging in 1968 bij Het Handelsblad weg uit protest tegen de voorgenomen technische samenwerking met de NDU (uitgeefster van Het Handelsblad) en de Telegraaf. Hij werd hoofd informatieve programma's bij de VPRO. Hij maakte ook zelf televisie, vanaf 1964, Zo is het toevallig ook nog eens een keer, met Joop van Tijn en Rinus Ferdinandusse.

In 1979 werd Jan Blokker adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant. Hij schreef al vanaf 1964 een column voor deze krant. Die verschijnt nu nog steeds drie keer per week.

Jan Blokker publiceerde zeven novelles en kinderboeken, elf non-fictie boeken, tien columnbundels, vijf scenario's voor televisie, twaalf filmscenario`s, een toneelstuk (Soekarno) en een libretto voor een opera (Esmée).

Hij is getrouwd met Anneke Haanappel. Ze hebben vier kinderen.