Meubels voor welgestelden

Grote buffetten, zware bureaus, robuuste servieskasten – de Haagse meubels die tussen de twee wereldoorlogen werden ontworpen, zijn duidelijk niet voor arbeiderswoningen gemaakt. Die wooncultuur van de gegoede burgerij is nu, en misschien wel voor het eerst, te zien in een museum. Ze behoort namelijk niet tot de canon van de kunstgeschiedenis, en valt daarom vaak buiten het verzamelbeleid van musea. Zo'n tachtig procent van de bruiklenen op de expositie Wonen in Haagse Stijl is dan ook afkomstig uit particulier bezit.

De stukken werden veelal gemaakt in opdracht van de Haagse firma Pander, door ontwerpers als Henk Wouda, Frits Spanjaard en Jan Wils. In Den Haag stond de klant voorop, de commercie was er belangrijker dan het idealisme. Terwijl het vooruitstrevende Nederlandse meubeldesign indertijd werd bepaald door hooggestemde ideeën over opvoeding van de burgerij door hen betaalbare ontwerpen van verantwoorde snit en smaak voor te schotelen. Dat beoogde bijvoorbeeld 't Binnenhuis in Amsterdam, een werkplaats en winkel waar de architect en ontwerper Berlage de scepter zwaaide. Maar in de praktijk kon alleen een beperkte groep welgestelden zich de handgemaakte meubelen permitteren. Hetzelfde gold voor de avant-garde meubels van De Stijl.

Volgens de officiële kunstgeschiedenis draait alles in het interbellum om de strakke interieurs van Rietveld, Van der Leck en Oud. De firma Metz – die ook een Haags filiaal had – toonde die meubels vanaf midden jaren '20 in het beroemde koepeltje van het winkelpand in de Amsterdamse Leidsestraat. Maar dat fungeerde eerder als expositiezaal dan als commercieel verkooppunt. De woonhuizen werden destijds niet ingericht met deze 'less is more'-meubels, maar met meer bewerkte, comfortabelere en volumineuzere exemplaren van Wouda c.s.

In het Gemeentemuseum kunnen we ze nu in als stijlkamers ingerichte zalen bekijken. Die inrichting lijkt op de wijze waarop omstreeks 1900 winkels als Pander hun assortiment aanboden. De samensteller van de tentoonstelling, Timo de Rijk, vertelt in het gelijknamige boek vooral veel over deze bekende Haagse firma. Daardoor komt een kleiner, maar interessant initiatief als My Home wat in de verdrukking. De eigenaar, Bas van Pelt, had geen eigen werkplaats maar legde zich aanvankelijk toe op de verkoop van fabrieksmatig gemaakte eigentijdse meubels van onder meer Gispen, die door hun serie-oplages betaalbaarder waren.

Pander had naast de winkels – er waren filialen in Rotterdam en Amsterdam – zijn eigen meubelfabriek, Hollandia. Het woonwarenhuis Pander zag eruit als een bonte bazaar waarin kamers veelal in neostijlen waren ingericht, zoals het destijds in Holland populaire namaak-Lodewijk XV. De firma had vanaf 1928 haar eigen tijdschrift, Thuis, dat in elk nummer foto's publiceerde van een door de firma in opdracht ingericht woonhuis.

Het door Wouda in Frank Lloyd Wright-stijl ingerichte huis van de familie Kessler in Velsen bijvoorbeeld, waar meneer Kessler directeur-oprichter was van Hoogovens. Of het kantoor Van de Nederlandsche Kabel Fabriek in Delft, ingericht door Frits Spanjaard, net als het huis van de NFK-directeur, Proos. De stijlkamers in het Gemeentemuseum zijn hier en daar voorzien van wat eigentijds glas, keramiek en een enkele klok. Een beetje summier voor deze bloeitijd van de Nederlandse kunstnijverheid, waarvan ook al veel te weinig is te zien in Nederlandse musea – al heeft het Haagse museum er een prachtige collectie van.

Er is een strak zilveren koffieservies dat de Gerofabriek maakte naar ontwerp van Chris van der Hoef, en er zijn een paar radio's van verschillende ontwerpers voor het merk Erres. Ondanks de kleuraccenten die soms op meubels zijn aangebracht – ongetwijfeld naar voorbeeld van De Stijl – ogen de Haagse meubels sober en opvallend vrij van decoraties. Ze staan dichter bij Berlage en de Amsterdamse School dan bij de `nieuwe kunst', de art deco zoals die zich destijds in het buitenland manifesteerde. Daarom is de ondertitel van expositie en boek verwarrend. Nederlanders hebben nooit gehouden van veel opsmuk, de Haagse firma Arts & Crafts die de Franse decoratieve kunstnijverheid bracht, moest na een paar jaar de deuren alweer sluiten. Voor de frivole krul van de Franse Art nouveau zijn wij te protestants.

Tentoonstelling: Wonen in Haagse Stijl. Art deco in Nederland. T/m 6 maart in het Gemeentemuseum Den Haag. Boek: Timo de Rijk, De Haagse Stijl. Uitgeverij 010, €39,50.