`Kunst heeft ook een politieke dimensie'

Cultuur in Nederland lijkt vooral in het teken te staan van uitgaan en vrije tijd, is de ervaring van George Lawson, die nergens ter wereld zo'n principiële scheiding heeft gezien tussen kunst en politiek.

Nederland moet op cultureel gebied niet alleen met nieuwe wereldmacht China nauwer samenwerken, maar ook met de islamitische landen, Marokko en Turkije voorop. Nederland moet zich ook samenhangender presenteren aan het buitenland. Dat vindt George Lawson, de nieuwe directeur van de Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA). ,,Ik maak mij niet eens zozeer sterk voor een grotere betrokkenheid van de politiek bij de kunst, maar ik vind vooral dat de kunst zich voor de verandering met de politiek mag bemoeien.''

Kunst en politiek staan in Nederland wel heel ver van elkaar af, vindt hij. ,,De Nederlandse samenleving, en dus ook de kunst, zijn lange tijd betrekkelijk apolitiek geweest. Dat was al aan het veranderen en die verandering komt nu in een stroomversnelling. De kunst die wij maken, gaat over ons, hoe wij in de wereld staan, hoe we ons tot elkaar verhouden, dus ook over politiek.''

George Lawson (54) studeerde economie en werkte bij het ministerie van Cultuur als plaatsvervangend directeur Kunsten. Ruim vier jaar geleden is hij bij het ministerie van Buitenlandse Zaken gedetacheerd als cultureel attaché in Berlijn. Fascinerende jaren, zegt Lawson, niet in de laatste plaats omdat Duitsland een van de belangrijkste `afnemers' van Nederlandse kunst is en omdat kunstenaars er, net als in Frankrijk, een veel prominenter rol spelen in het maatschappelijke – lees: politieke – debat.

Bij zijn terugkeer naar Nederland in oktober is hij aangetreden als directeur van de Stichting Internationale Culturele Activiteiten, in 1995 als kennisinstituut opgezet met dertien medewerkers en een budget van 870.000 euro per jaar, inclusief de verhoging die de Raad voor Cultuur onlangs heeft voorgesteld. De SICA organiseert zelf doorgaans geen tentoonstellingen of optredens, maar helpt kunstenaars en kunstinstellingen die in het buitenland te realiseren, en ondersteunt ambassades bij het uitdragen van de Nederlandse cultuur in het buitenland. Zo heeft de stichting een aparte Europa-desk om kunstinstellingen te helpen de weg te vinden naar Europese subsidies en uitwisselingen met andere lidstaten.

Lawson noemt als voorbeeld `Thinking Forward', de culturele manifestatie die dit halfjaar het Nederlandse voorzitterschap van de EU begeleidde. ,,Thinking Forward was de eerste keer dat Nederland een onafhankelijke artistieke invulling gaf aan een politiek moment'', zegt Lawson. ,,De Nederlandse rol in de Europese Unie werd aangegrepen als aanleiding om door middel van kunst en cultuur te laten zien wie wij zijn, en omgekeerd om de nieuwe lidstaten te leren kennen. We moeten oog krijgen voor het feit dat kunst ook een politieke dimensie heeft, zonder dat dat betekent dat ze aan de leiband van de politiek loopt.''

In andere Europese landen is dit de gewoonste zaak van de wereld, heeft hij gemerkt: daar gaat het internationale cultuurbeleid vanzelfsprekend ook over de geestelijke en culturele waarden van het land, zeg maar gerust over het nationale culturele zelfbewustzijn. ,,Nergens ter wereld heb ik zo'n principiële scheiding gezien tussen kunst en politiek als in Nederland.'' Bij zijn terugkeer uit Berlijn viel het hem op, dat cultuur hier, in vergelijking met landen als Frankrijk en Duitsland, in het teken lijkt te staan van uitgaan en vrije tijd. In de eerste toespraak die hij in zijn nieuwe functie hield kraakte hij daarover harde noten: `Het zou heel goed kunnen zijn dat we daarmee misschien nog iets anders hebben bereikt: we hebben de kunst daarmee mogelijk teveel in zichzelf opgesloten. We hebben de kunst daarmee mogelijk te onbelangrijk gemaakt.'

Een gesprek over de verhouding tussen kunst en politiek is nu eenmaal een gesprek over onze identiteit, vindt Lawson. ,,We zijn niet meer gewend daarover een inhoudelijke discussie te voeren, we dachten deze netelige kwesties met de verzuiling achter ons te hebben gelaten. Daarom valt het huidige integratiedebat ons ook zo zwaar. We kunnen niet langer vluchten in overleg en procedures.''

Met nadruk zegt Lawson, dat hij het niet heeft over kunst als instrument van de politiek. ,,Dat is totaal contraproductief. Kunst ontleent haar zeggingskracht juist aan haar vrijheid en ongebondenheid. Als je kunst zou maken tot een verlengstuk van het beleid verliest ze haar geloofwaardigheid.'' Dat hij oppert om nauwer samen te werken met Marokko en Turkije, heeft dan ook niet zozeer te maken met buitenlands beleid, zegt hij, ,,maar wel met de constatering dat de relatie met die landen domweg van grote invloed is op deze samenleving. Je moet je afvragen of het, gelet op de dreigende kloof tussen de westerse en de islamlanden, nodig is in de culturele dialoog te investeren.''

Hij wijst op een aantal al bestaande initiatieven: uitwisselingen tussen Turkse en Nederlandse theatergezelschappen, aan door het Fonds voor Beeldende Kunst Bouwkunst en Vormgeving bekostigd atelier in Istanbul, de aanstaande benoeming door de Mondriaan Stichting van een curator van een tentoonstelling van Nederlandse beeldende kunst in Marokko, de reis die het Prins Claus Fonds en de Mondriaan Stichting onlangs organiseerden naar een aantal Arabische landen, de opening aanstaande vrijdag van een grote tentoonstelling over Marokko in de Nieuwe Kerk. ,,Deze initiatieven komen uit de culturele sector zelf voort. Kennelijk is er een eigen kunstzinnige invulling te geven aan die politieke noodzaak meer van elkaars culturen te weten.''

Een bijl aan de wortel van Thorbecke? ,,Nou, het is meer kietelen.''