Herontdek de tolerantie en maak je niet zo druk om de islam

Iedereen moet kunnen denken wat hij wil denken, dat is onderdeel van tolerantie. Maar het moet niet tot onverschilligheid leiden. De essentie van tolerantie is in een gecoördineerde actie van politieke leiders, onderwijskundigen en opiniemakers religieuze haat en vooroordeel onschadelijk te maken.

Sinds de moord op Theo van Gogh verkeert Nederland in shock en vertoont het verontrusting in alle gelederen. Tolerantie, een der onbetwiste pijlers van de Nederlandse identiteit, is minder vanzelfsprekend geworden. Wat houdt deze nationale eigenschap nog in? Een diepgevoelde culturele crisis is het gevolg. Mensen lijken een obsessie te hebben voor de laatste demografische statistieken en vrezen dat over vijftien jaar de steden het toneel zullen zijn van een allesbeslissende cultuurstrijd.

Al vóór de moord op Van Gogh werd in buitenlandse tv-programma's de vraag gesteld of en zo ja waarom Nederlanders toch hun vertrouwde en vriendelijke imago hadden verloren. Of zij inderdaad plotseling ongastvrij en onvriendelijk jegens nieuwkomers en niet-blanken waren geworden – een intolerant land eigenlijk. Velen vragen zich nu af of de Nederlandse opvatting van tolerantie, zoals die zich sinds de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld, naïef is geweest, of sterker, zelfgenoegzaam en blind voor de sociale problemen waarmee het land nu kampt.

Ik denk dat de huidige crisis de filosofie van de in Frankrijk geboren zeventiende-eeuwse denker Pierre Bayle (1647-1706), die in Rotterdam geschiedenis en filosofie doceerde, een speciale relevantie verschaft. Maar de geïnteresseerde leek hoeft zich niet te schamen wanneer hij zich dat niet heeft gerealiseerd, aangezien geen enkele journalist of commentator tijdens de vele debatten iets over Bayle heeft gezegd. Sterker nog, ik meen als trouwe vriend en bewonderaar van Nederland – maar ook als iemand die vindt dat er momenteel alle reden toe is niet alleen kritisch, maar gewoonweg onsympathiek te zijn – dat de collectieve veronachtzaming van Bayle's betekenis voor de Nederlandse beschaving even symbolisch is voor de huidige identiteitscrisis als voor Bayle's filosofie zelf.

Want de flagrante nalatigheid om in het onderwijs of voor het nationale bewustzijn ook maar iets te doen aan Bayle – die net als Spinoza en Descartes in Nederland leefde en werkte en net als zij in het rijtje grote filosofen thuishoort – is een typisch symptoom van de huidige malaise die de Nederlandse samenleving tart. Er heerst grote onkunde om de werkelijke historische én filosofische betekenis van noties als tolerantie, vrijheid van meningsuiting en persoonlijke vrijheid te waarderen en te ontsluiten. Het zijn ideeën waar Spinoza en Bayle vele jaren over nadachten en die zij uiteindelijk verwerkten in uiterst ingenieuze sociale, culturele en politieke doctrines.

Zonder enige twijfel is de Gouden Eeuw vanuit een breed internationaal perspectief de belangrijkste bijdrage van Nederland aan de ontwikkeling van de moderne westerse samenleving. Maar wanneer je de systematische en modieuze afname van de waardering voor de Gouden Eeuw sinds de jaren '60 in aanmerking neemt, is het niet raar dat de meerderheid van de Nederlanders eigenschappen als tolerantie, individuele vrijheid en de vrijheid van meningsuiting als een vanzelfsprekend goed beschouwt. Waarden waarmee ze opgroeien en die niet vanuit een historisch of cultureel perspectief verklaard moeten worden of filosofisch gerechtvaardigd.

Deze schaal van onnozelheid en nalatigheid is de laatste tijd alleen maar in omvang gegroeid wegens de door de overheid gerichte aanval op de humaniora op middelbare scholen en universiteiten. Er heerst een Thatcheriaanse obsessie – zo alomtegenwoordig in West-Europa – voor de zogenaamde nuttige beroepsstudies als economie, recht en technische studies. En dit gaat gepaard met bezuinigingen op zo'n beetje alles wat bijdraagt aan een groter cultureel, sociaal en historisch begrip.

Hier ligt de werkelijke naïviteit, de ware zelfgenoegzaamheid en de oppervlakkigheid die zoveel schade hebben aangericht. Geschiedenis en de geesteswetenschappen krijgen steeds minder geld, wat een vorm van culturele zelfmoord is. Het is voldoende om ministers van Onderwijs en politici in het algemeen elk recht te ontzeggen krokodillentranen te huilen om de plotselinge opkomst van een nieuwe barbarij, filisterij en fanatisme.

Ik ken persoonlijk vele intelligente Nederlandse tieners die nog nooit van Spinoza of Bayle hebben gehoord, en wie eigenlijk nauwelijks iets over de Gouden Eeuw is geleerd, op school of thuis. Zij begrijpen dan ook niet waarom Nederland altijd gezien werd als een vroeg-ontwikkeld en verlicht voorbeeld voor de ontwikkeling van opvattingen als seksuele en raciale gelijkheid en vrijheid van meningsuiting. Als Spinoza wordt gebagatelliseerd, dan is het niet overdreven te stellen dat Bayle praktisch genegeerd wordt. Dus in plaats van anderen de schuld te geven, of rancuneus jegens buitenlanders te zijn, denk ik dat het Nederlandse volk niemand anders dan zichzelf iets kan verwijten.

Wat is nu zo relevant aan Bayle's theorie van tolerantie? Net als Spinoza meende hij dat de meesten onder ons eerder in theologische doctrines dan in rationele criteria geloven. Zij aanbidden de religieuze leiders, die de doctrines interpreteren volgens geaccepteerde tradities en daarmee grote invloed over mensen uitoefenen. Beide denkers vonden dit simpele sociaal-culturele feit uiterst gevaarlijk. Bayle wilde moraliteit en gewetensvrijheid zoveel mogelijk van het geloof scheiden. Door te laten zien welke verschrikkelijke gevolgen de gewelddadige geloofsvervolging had voor leven en goed, wilde Bayle de lezer overtuigen van het morele failliet van geloofsonverdraagzaamheid als rechtvaardiging voor de godsdienstoorlogen, die dan ook niet door God, Christus of welke christelijke kerk of autoriteit dan ook, konden worden gepropageerd.

Volgens Bayle nemen gelovigen logischerwijs aan dat zij het juiste geloof belijden. Maar omdat het niet mogelijk is dit rationeel te bewijzen aan iemand die het hier niet mee eens is, concludeert Bayle dat ieder geloof tijdelijk is en daarmee even geldig of ongeldig. Deze redenering vormt de basis van zijn beroemde `conscience errante'-doctrine: aangezien niemand rationeel de waarheid of onwaarheid van een bepaald geloof kan aantonen, is er ook geen rationele methode voorhanden om iemand die in totale absurde of onzinnige leerstellingen gelooft, te overtuigen van zijn dwaling. De enige uitweg hiervoor is elke minderheid het recht op gewetensvrijheid toe te kennen alsof je het zou toekennen aan je eigen geloofsgenoten. Dit recht dient ook te gelden voor degenen wier denkbeelden door de grote meerderheid als totaal absurd worden gezien.

Een van de belangrijkste aspecten in de filosofie van Bayle is zijn inzicht dat het feit dat de meeste mensen menen dat iets waar of juist is, nog niet betekent is dat dit echt waar of juist is. Integendeel, gegeven de menselijke neiging tot oppervlakkigheid en onwetendheid, zo stelt Bayle in zijn Pensées Diverses, is de wetenschap dat een bepaalde overtuiging door de meeste mensen wordt gedeeld meestal een blijk van de volkomen onzinnigheid van die overtuiging. Juist het feit dat de meerderheid meent dat dergelijke ideeën waar zijn, maakt religie en haar leiders tot de grootste bedreiging voor het onafhankelijke denken en de individuele vrijheid; maar ook voor de stabiliteit en eenheid van de samenleving zelf. Want volgens Bayle hebben het volk en de theologen de macht om niet alleen andersdenkenden te censureren en te onderdrukken, maar ook te vervolgen en uit te schakelen.

De actuele boodschap van Bayle's filosofie is dat een goede theorie over tolerantie de vraag beantwoordt hoe theologische macht en de religieuze overtuigingen van de meerderheid aan banden kunnen worden gelegd. Religie moet niet worden misbruikt voor de vervolging en uitsluiting van andersdenkenden, waardoor de samenleving wordt opgezadeld met sociale onrust en politieke strijd. Dat was voor Bayle het centrale punt, zoals het dat ook voor ons behoort te zijn. Maar het is iets waarover maar heel weinig mensen in West-Europa die in invloedrijke politieke, religieuze of intellectuele posities verkeren, willen discussiëren.

Een goede illustratie van deze intellectuele verloochening vormt de reactie op het nieuwe antisemitisme dat Frankrijk, België, Nederland, en in minder mate Duitsland, sinds het einde van de jaren '90 heeft overspoeld. In Frankrijk, net zoals in Nederland, was het enige tijd de gewoonte van overheid, leraren en de politie om zelfs te ontkennen dat er sprake was van een toename van geweld en uitingen van agressie jegens joden; ofschoon de feiten aantonen dat aanvallen op synagogen, joodse begraafplaatsen, en joden zelf enorm toegenomen zijn – in Frankrijk met 14 procent tussen 1999 en 2004.

De Franse rabbijnen zijn gedwongen hun gemeente te adviseren geen keppeltje meer op straat te dragen, terwijl het in grote delen van Frankrijk niet meer mogelijk is de holocaust te onderwijzen aangezien studenten het gewoonweg niet accepteren, en docenten die het toch proberen, ernstig worden lastiggevallen.

Veel mensen in Nederland, en ook daarbuiten, vinden deze situatie natuurlijk verschrikkelijk en zijn verontwaardigd over en ook angstig voor deze nieuwe golf van antisemitisme. Maar velen ook halen hun schouders op en leggen de verantwoordelijkheid van het antisemitisme bij de acties van de Israëlische regering, en voor de mishandelingen in Amsterdam bij de Marokkanen, of, in Frankrijk, bij de Noord-Afrikanen in het algemeen.

Maar vanuit Bayle's gezichtspunt, en vanuit wat ook ons gezichtspunt zou moeten zijn, zijn dergelijke beschuldigingen aan het adres van derden of externe omstandigheden hypocriet, laakbaar en zelfs absurd. Wat een religieuze groep vindt van een andere groep is feitelijk irrelevant. Jammeren dat een zekere religieuze stroming in de samenleving bevooroordeeld is, of intolerant, maakt weinig indruk en brengt geen oplossing. Want volgens Bayle zullen de religieuze overtuigingen en vooroordelen van mensen automatisch intolerant zijn jegens andere, tegengestelde religieuze doctrines.

Het is de rol van het recht, de overheid, de media en de politie dan ook precies om ervoor te zorgen dat geen enkel religieus gedachtegoed in staat wordt gesteld zijn vooroordelen en vooringenomenheid te vertalen in geweld en discriminatie. Theologische disputen moeten uit de publieke sfeer en het onderwijs geweerd worden. Dit is de enige manier om politieke en sociale stabiliteit te creëren en te waarborgen. Dit houdt in dat, niettegenstaande wat velen beweren, de islam slechts een bijkomstige relevantie heeft voor de politieke en culturele crisis in Nederland.

Waar het wel om gaat is, dat in de media, het onderwijs en bij de politie theologische vooroordelen en haat worden bestreden – iets wat lange tijd is nagelaten. Serieuze discussie over fundamentalisme is jaren systematisch vermeden in de naam van een volkomen misplaatste en vervalste conceptie van tolerantie. Het is bijvoorbeeld overduidelijk dat de weigering van de gemiddelde West-Europeaan om het nieuwe antisemitisme te bespreken gedeeltelijk gemotiveerd is door een behoefte om moslims niet te beledigen. Maar de ironie is nu dat de nieuwe golf van antisemitisme slechts heel gedeeltelijk verhaald kan worden op de Europese moslim. In belangrijke opzichten ligt de fout eerder bij een `overblijfsel' van non-islamitisch antisemitisme dat doorgaans goed wordt verborgen achter een masker van een fel antizionisme en oppositie tegen Israël.

Dit wordt goed geïllustreerd door de berichtgeving rond het zogenaamde `bloedbad in Jenin', aangericht door de Israëliërs in april 2002. Rapporten over een slachting als gevolg van de Israëlische operatie `Defensive Shield' bleken achteraf, aldus Le Monde – dat zo eerlijk was dit toe te geven – volkomen bezijden de waarheid. De berichtgeving rond Jenin heeft ongetwijfeld bijgedragen aan een vijandige houding jegens Israëliërs en joden in Europa; hetgeen natuurlijk niet de schuld is van Palestijnen, omdat hun vijandigheid begrijpelijk is wegens het politieke en militaire conflict met Israël.

Het werkelijke schandaal betreft het vooroordeel jegens Israël onder Europese – waaronder Nederlandse – journalisten. Dat heeft ervoor gezorgd dat berichten over een verschrikkelijke afslachting in Jenin massaal werden rondgebazuind zonder de feiten eerst te controleren. Volgens Le Monde werd achteraf door gedetailleerd onderzoek vastgesteld dat het aantal doden in Jenin tussen 50 en 80 lag, en verreweg het grootste deel van hen betrof strijders en geen burgers. Dit is dus een cijfer dat oneindig veel kleiner is dan bijvoorbeeld het aantal slachtoffers (krijgers én burgers) dat viel bij gelijktijdige acties van het Russische leger in Tsjetsjenië. Maar geen enkele Europese journalist die de Russen beschuldigde van nazi-praktijken. Le Monde concludeerde dat iedere objectieve commentator wel moest vaststellen dat de berichtgeving over Jenin bijzonder suggestief en hypocriet is geweest.

Een dergelijk antisemitisme vreet dus aan de fundamenten van een democratische en vrije samenleving. Want, zoals Bayle benadrukt, als de bedreigingen voor de vrijheid afkomstig zijn van theologische opvattingen en vooroordelen van een meerderheid, dan zal de vrijheid ten onder gaan – als de publieke autoriteiten deze vooroordelen niet alleen `tolereren', maar ook actief instandhouden.

Derhalve zou Bayle voor ons ongetwijfeld een advies gehad hebben: dat we de plank misslaan als we klagen dat een religieuze groepering de principes van tolerantie en respect voor individuele vrijheid niet erkent. Een ieder moet kunnen denken wat hij wil denken, dat is onderdeel van tolerantie. Maar alleen volstaat deze houding niet: dan leidt zij tot officiële onverschilligheid, en dat is geen tolerantie meer. De essentie van tolerantie is om in een gecoördineerde actie van politieke leiders, onderwijskundigen en opiniemakers religieuze haat en vooroordeel onschadelijk te maken, evenals discriminatie en de onderdrukking van impopulaire opvattingen.

Maar hier hoeft niet op gerekend te worden zonder een grondig maatschappelijk besef van wat de centrale vraagstukken zijn, wat historisch juist is, en wat niet. Daarom meen ik dat het gerechtvaardigd is om de werkelijke schurken, de echte daders van onze huidige multiculturele crisis niet de fundamentalisten te noemen – van wie moeilijk verwacht kan worden dat zij ooit anders gaan denken – maar degenen die in het recente verleden de leiding hebben genomen in die Thatcheriaanse aanval, uit naam van nuttige kennis, beleidsmatige bekwaamheid en aanbidding van het marktmechanisme, op de humaniora, de maatschappijleer en de klassieken van de westerse beschaving.

Het is ronduit suïcidaal en een absolute plaag voor de maatschappij, het is de voornaamste oorzaak van de nieuwe bekrompenheid en het cultuurbarbarisme, en het vormt de grootste bedreiging voor de samenleving. Want principes als tolerantie, democratie, gelijkheid, rechtvaardigheid, persoonlijke vrijheid en vrijheid van meningsuiting – de fundering van de westerse moderniteit – kunnen slechts verdedigd worden en behouden blijven door mensen die begrijpen wat deze principes betekenen, hoe ze ontstaan en ontwikkeld zijn en waarom ze van belang zijn.

Hoogleraar Vroegmoderne Geschiedenis aan The School of Historical Studies van het Institute for Advanced Study in Princeton (VS). Hij schreef onder meer The Dutch Republic (1995) en Radical Enlightenment (2001).

Dit is een verkorte bewerking van de Pierre Bayle

lezing van afgelopen vrijdag, georganiseerd door de Pierre Bayle Stichting en de Rotterdamse Kunststichting.

www.nrc.nl/opinie: Tekst van de gehele lezing van Jonathan Israel