Halters van familieblikken tomatenpuree

In de volkswijken van Abidjan oefenen jonge gewichtheffers met zelfgemaakte halters. Met spieren dwing je respect af.

Het is zo'n plek die je als buitenstaander nooit zou ontdekken. De armere volkswijken van Abidjan, sloppenwijken in de ogen van iemand die uit Europa komt, zien er allemaal hetzelfde uit. Armoedige huisjes langs straten van donkergrijs zand waar altijd kinderen spelen, op ieder uur van de dag. Vrouwen die zittend op krukjes banaan frituren boven een houtskoolvuur. Kappers die achter een opwaaiend gordijn de tondeuse hanteren. Overal lopende, kletsende of lummelende mensen. De gammele latten hut van de caillou ghetto is niets bijzonders, hij gaat volledig in de omgeving op. Je herkent hem hooguit aan de gespierde jongens voor de deur.

Als je niets hebt – en de meeste mensen in deze wijk hebben niets – kun je altijd nog een mooi lichaam kweken. In West-Afrika is geen sprake van een uitgesproken lichaamscultus, maar fysieke kracht wordt hoog gewaardeerd. In ieder geval door jongens uit de ghetto, zoals de volkswijk in hun straattaal heet. Met spieren dwing je respect af, en respect heb je nodig om op straat te overleven. Met spieren word je een vieux père, een `ouwe', iemand die bovenaan de hiërarchie staat, iemand naar wie geluisterd wordt, die andere jongens kan opdragen dingen voor hem te doen. Niet dat alle jongens in de caillou ghetto zich vieux père mogen noemen, maar je ziet meteen: met hen valt niet te spotten.

Ivorianen die niets hebben, beoefenen sporten die niets kosten. Veel jongens vermaken zich met gevechtssporten, voetballen of hardlopen. In de caillou ghetto draait het om gewichtheffen. De oppervlakte van de hut is acht vierkante meter. Er zijn geen ramen. Door de kieren schijnt zonlicht binnen. De temperatuur is verstikkend. Een kaarsstomp op de vloer voor als het 's avonds donker is.

Twee halterbanken van aan elkaar gelaste metalen buizen nemen de ruimte in beslag. Alles is zelfgemaakt. De schijven aan de halters zijn afgedankte vliegwielen van een automotor of tandwielen van een versnellingsbak. De lichtste halters zijn gemaakt van cement dat gegoten werd in een familieblik tomatenpuree – ongeveer vijf kilo, precies weet je het nooit, dat is wel weer het nadeel van de caillou ghetto. Je kunt ook lood uit oude accu's omsmelten, vertelt Fikfak (26), een mannetjesputter met een goedmoedig gezicht. ,,Met vijf accus heb je genoeg voor een schijf.''

Meestal zijn ze uitsmijter, ex-bandiet, toekomstig illegaal immigrant of werkloos, de jongens van de caillou. Neem Fikfak. Elke straatjongen heeft een bijnaam. Fikfak heeft ambitie. Hij wil kampioen bodybuilding worden. Hij traint vier middagen per week en handelt in geïmporteerd proteïnepoeder dat de spieren versterkt. Hij oefent ook thuis, maar vlucht af en toe weg uit het overbevolkte hofje waar zijn familie woont en waar hij steeds herinnerd wordt aan het feit dat zijn toekomst wellicht kansloos is. Soms werkt Fikfak als uitsmijter bij een nachtclub in de buurt, waar hij met zijn één-meter-negentig tuig weert dat rotzooi komt schoppen. ,,Ik weet hoe ik ze moet bejegenen. Ik praat op een respectvolle manier tegen ze. Alleen dan luisteren ze. Anders krijg je een mes in je maag.''

Voor anderen is het hoogst bereikbare lijfwacht worden van een gewichtig persoon, een minister bijvoorbeeld. De praatgrage Alasko (25) heeft de neus van een bokser. Hij heeft een echt beroep, al is het een illegaal beroep. Moeilijk uit te leggen, maar hij probeert het toch. Iedere volkswijk heeft meerdere taxistations voor rode Toyota Corolla's die lijndiensten rijden met ten minste vier passagiers. De passagiers worden in volgorde van aankomst en bestemming in zo'n taxi, een wôrô-wôrô, gestopt. De jongens die 's ochtends als eerste bij het station staan, mogen zich over een lijndienst ontfermen en de bestemmingen afroepen. Gedurende een paar uur zijn zij stationschef. De chauffeur betaalt een muntje zodra hij een volle taxi heeft.

Er zijn veel concurrenten, dus je moet jezelf invechten. Alasko stoot een halter omhoog. ,,Tweehonderd kilo'', roept hij trots. ,,Ja ja'', zeggen de anderen. ,,Ga eerst maar eens wegen.''

Op straat geldt het recht van de sterkste, maar in de caillou ghetto heerst een onwankelbaar soort solidariteit. Wie het kan missen, draagt bij aan de aanschaf van nieuwe halters of het onderhoud van de hut. Het dak lekt, er moet dringend een stuk landbouwplastic gekocht worden. Het is een gammel ding, vooruit. Maar het is wel functioneel, en nog belangrijker, het is van hèn.

Regels zijn er niet, behalve één: stelen is absoluut verboden. Gelukkig vinden de buurtbewoners het allemaal best. ,,In het begin waren de mensen bang dat we hen kwamen lastigvallen'', zegt Fikfak. ,,Ze hebben nu begrepen dat we gewoon ons brood proberen te verdienen.''