`Goedaardig' hervormen in Midden-Oosten

Vandaag praten in Rabat meer dan 20 landen over hervormingen. Veel Arabieren vrezen de bedoelingen van de VS, maar die zijn sterk afgezwakt.

Tienduizenden Marokkanen gingen vorig weekeinde in de hoofdstad Rabat de straat op om alvast te protesteren tegen het Forum voor de Toekomst. Voor deze nieuwste aflevering in de door Amerika geleide internationale campagne om het Midden-Oosten te democratiseren, zijn ministers uit het Midden-Oosten en Europa vandaag in Rabat bijeen als gasten van de Amerikaanse minister Colin Powell en zijn Marokkaanse ambtgenoot Mohamed Benaissa. De betogers, mannen en gehoofddoekte vrouwen apart, waren gewapend met Palestijnse en Iraakse vlaggen, en verbrandden een Israëlische vlag. ,,Wij willen geen plannen die door de Verenigde Staten worden gedicteerd'', vatte een van de organisatoren de meningen samen.

Maar hij loopt achter; zijn betogers hebben van de VS niet meer zoveel te vrezen.

Hervorming op zich is niet omstreden in de Arabische wereld; ook niet onder het fundamentalistischer deel van de bevolking – zo populair zijn de autocratische regimes niet waarop het gebied is geabonneerd en wie is er tégen beter onderwijs en vóór schendingen van de mensenrechten?

Maar een aanzienlijk en nog groeiend percentage van de Arabieren koestert een diep wantrouwen jegens de Amerikaanse regering als die over hervormingen spreekt. Volgens een recent onderzoek van Zogby International onder 2.600 mensen in vijf Arabische landen vindt een ruime meerderheid dat de Amerikanen allereerst moeten helpen het Israëlisch-Palestijnse conflict op te lossen voor zij zich ergens anders mee bemoeien. Het militaire optreden in Irak, dat evenals het Israëlisch-Palestijnse conflict dag in dag uit door de Arabische satellietzenders bij de Arabieren thuis wordt bezorgd, versterkt de achterdocht.

,,We steunen verandering'', vertolkte vorige maand de invloedrijke sunnitische geestelijke sjeik Yusuf Qaradawi de mening van veel van zijn volgelingen. In het zeer populaire programma Open Dialoog van de Arabische televisiezender Al-Jazira, waar hij een geziene gast is, erkende hij dat niet kan worden ontkend dat economische, onderwijs- en grondwetshervormingen noodzakelijk zijn. Maar: ,,we moeten deze hervormingen zelf doorvoeren, gebaseerd op onze behoeften, eisen en doelstellingen. Als we opgelegde hervormingen doorvoeren, verwezenlijken we hun eisen. Komen de Amerikaanse belangen overeen met de onze?'' Hij beschuldigde de Amerikanen ervan oorlog voeren tegen de natie van de islam onder het mom van hun strijd tegen het terrorisme. En hij concludeerde: ,,De Amerikanen willen hervorming van een andere soort; ze willen onze identiteit veranderen.''

Maar dat willen de Amerikanen helemaal niet; sterker nog, de doelstellingen van de Amerikaanse regering zijn gemeten naar de aanvankelijke bedoelingen inmiddels sterk afgezwakt. Begin dit jaar werkte zij nog aan een groot internationaal plan om democratische hervormingen in de landen van het Midden-Oosten en grote islamitische landen daarbuiten zoals Pakistan en Indonesië te bevorderen. Er was toen sprake van een `masterplan' naar het model van de Helsinki-akkoorden van 1975, waarbij de Europese Unie en de NAVO betrokken zouden worden. Het zogeheten `Greater Middle East Initiative' moest door middel van politieke, culturele, economische en militaire samenwerking tot een democratische omwenteling leiden in de islamitische en dan met name Arabische wereld.

Zover is het nooit gekomen. De Amerikanen stuitten behalve op achterdocht op gering enthousiasme van Europese landen en op regelrechte tegenwerking van Arabische leiders, onder aanvoering van Saoedi-Arabië en Egypte, die hun eigen overleven niet wilden riskeren. Tegen de achtergrond van de groeiende chaos in Irak werd het vervolgens onverstandig om dergelijke belangrijke bondgenoten voor het hoofd te stoten.

Volgens Tamara Cofman Wittes van de Amerikaanse denktank Brookings is het grootste deel van het pro-democratiebeleid nog steeds in het ontwerpstadium, en gaat het voorzover er actie is ondernomen, om ,,goedaardige'' programma's waar de ontvangende regimes geen last van hebben.

Het enige concrete programma op dit moment is het Middle East Partnership Initiative (MEPI), aldus Wittes in een eind vorige maand gepubliceerd artikel, in welk kader nu ruim 100 miljoen dollar is uitgegeven. Maar MEPI keert zich volgens haar af van politieke democratiseringsprojecten ten gunste van ,,het veel minder provocerende pad van door het regime-geleide economische ontwikkeling''. Driekwart van die 100 miljoen dollar is besteed aan programma's die direct of indirect de regimes ten goede komen.

Maar, zo schrijft Wittes, wat het aan de man brengen van democratische hervormingen nog het meest in de weg staat is het doorgaande gebrek aan politieke steun voor het programma van de zijde van het Amerikaanse leiderschap. Een van de voorbeelden die zij geeft: president Bush stelde politieke hervormingen niet aan de orde in zijn één op één gesprek met de Egyptische president Mubarak tijdens diens bezoek aan zijn Texaanse ranch, afgelopen maart. Washington wil erg graag dat Egypte de Palestijnen in de gaten houden als Israël de Gazastrook ontruimt. Er komen dus geen grondwetswijzigingen in Egypte die rechtstreekse presidentsverkiezingen mogelijk maken en het aantal ambtstermijnen tot twee beperken zoals de oppositie eist. In plaats daarvan gaat men er vanuit dat het parlement Mubarak (76) bij leven en welzijn volgend jaar voor zijn vijfde termijn kiest.

Tijdens het Forum voor de Toekomst zouden volgens Amerikaanse mededelingen voornamelijk economische hervormingsprojecten aan de orde komen.