Gekrakeel over `Chinezen komen' is bangmakerij

Brakman en Garretsen waarschuwen in NRC Handelsblad van 1 december, dat bedrijven arbeid niet lukraak moeten verplaatsen naar China, omdat er een einde komt aan de stroom aan goedkope Chinese arbeid. Zij vergelijken China hierbij met het Nederland van de jaren '50, toen onze regering koos voor gematigde loonontwikkeling gecombineerd met een sterke productiviteitsstijging. Volgens hen volgt China hetzelfde beleid, en een hervorming van de markt zal onvermijdelijk leiden tot prijscorrecties en loonstijgingen.

Deze vergelijking gaat mank. In het begin van de jaren '50 werkte slechts 15 procent van de Nederlandse beroepsbevolking in de landbouw, en het heeft een halve eeuw gekost voordat Nederland is uitgekomen op de huidige 3 procent. Op dit moment is ruim 50 procent van de Chinese bevolking nog boer! Zou China in hetzelfde tempo als Nederland de agrarische beroepsbevolking overhevelen naar de steden, dan is maar één conclusie mogelijk: China heeft héél veel goedkope arbeidskrachten die de lonen nog tientallen jaren laaghouden, en een vrijere markt zal daar weinig aan veranderen.

Dat China een enorme economische invloed op de wereld zal hebben, staat buiten kijf. We zien dit in de wereldwijde zoektocht van China naar delfstoffen; het gekibbel over de Chinese munt; en de sterke groei in de kapitaal- en productstromen van én naar China. Anderzijds is het gekrakeel over de `Chinezen komen' ook overdreven bangmakerij. Hier hebben Brakman en Garretsen natuurlijk een punt. Het gaat er immers om hoe Europa en de rest van de wereld inspelen op Chinese ontwikkelingen. Maar in het schrijven over de Chinese economie is het wel belangrijk de feiten goed op een rij te zetten.