Eerlijk zijn over de corruptie in Roemenië

Kort na de val van de Muur, vijftien jaar geleden in Berlijn, nam de Europese Unie een politiek ingrijpend besluit. Ze zette de deur open voor de landen uit Midden- en Oost-Europa. Omdat de Unie zo in elkaar zit dat ieder land met een Europese roeping lidstaat kan worden – mits het aan een aantal voorwaarden voldoet – kon toen al worden voorspeld dat de EU op termijn ten minste 27 leden zou tellen. 2004 was het jaar van de grote uitbreiding. Acht voormalige Oostbloklanden traden toe plus twee mediterrane ministaatjes. Eergisteren werden in Brussel de onderhandelingen tussen de EU en kandidaat-lidstaat Roemenië afgerond. Als de Europese regeringsleiders op hun bijeenkomst volgende week akkoord gaan met het lidmaatschap, kan het land per 2007 toetreden. Net als Bulgarije, waarover eerder overeenstemming werd bereikt.

Moeten we juichen over de komst van Roemenië? Formeel geldt: beloofd is beloofd. Voor Roemenië, met 22 miljoen inwoners een relatief groot land, loopt het spoor van het lidmaatschap terug naar een handelsovereenkomst die het in 1991 sloot met (toen nog) de Europese Gemeenschap. In 1993 volgde een Europa-akkoord en in '95 het officiële toetredingsverzoek. Daarna trapte de Europese Commissie nog wel af en toe op de rem, maar de gesprekken gingen door. De effectieve Roemeense diplomatie deed haar werk in Brussel. Europa trok veel geld uit voor noodhulp aan de Roemenen en overigens dachten velen over dit probleemgeval: Komt tijd, komt raad. De tijd is gekomen, maar de raad is uitgebleven. Want wat moet de Unie, die aan de grens van haar opnamecapaciteit met nieuwe leden zit, met een land waarover nog zoveel twijfels bestaan? Nogmaals: het toetredingsproces is in 1989 in gang gezet, Roemenië ligt ontegenzeggelijk in Europa, wil graag bij de EU horen en heeft hard gewerkt aan de pittige toetredingseisen. Wat is dan het probleem?

Het probleem zit in de hervormingen van de rechterlijke macht, het openbaar bestuur en de economie. Op die gebieden is nog onvoldoende vooruitgang geboekt. Hoe kan een land dat zijn openbaar bestuur te weinig heeft hervormd, de EU-regels goed gaan toepassen?

Het grootste vraagteken is echter de corruptie. Brussel blijft daarover `bezorgd'. De Nederlandse oud-eurocommissaris Bolkestein zei het onlangs op televisie minder eufemistisch. Hij noemde Roemenië ,,totaal corrupt'' en zei dat het besluit om het land EU-lid te maken op niets is gebaseerd. De Roemeense staatssecretaris voor Europese zaken zei in deze krant dat corruptie ,,een kwestie van perceptie'' is, een uitlating die te denken geeft. Bolkesteins woorden komen niet uit de lucht vallen. De `waakhond' voor de regio, Transparancy International, is van mening dat Roemenië het meest corrupte land van Midden-Europa is.

Dit land moet per 2007 tot de Europese familie gaan behoren. Wat de waarheid over de corruptie ook is, de beschuldigingen zijn te ernstig om te negeren. De regeringsleiders van de EU kunnen op hun top van 17 december nog ingrijpen. Zij, en zij alleen, kunnen op de valreep de vanzelfsprekendheid en de geruisloosheid van het Roemeense lidmaatschap aan de kaak stellen. Het zou de politieke leiders sieren als zij nu eens niet voorbij gaan aan de tot in de nerven van de Roemeense samenleving doortrokken neiging tot omkoperij.

Al veel te vaak eindigden Europese topontmoetingen in pappen en nathouden en vriendelijke slotverklaringen. Nieuwe en bindende eisen aan Roemenië om de corruptie te bestrijden zouden tevens een signaal aan Turkije zijn, de volgende kandidaat die op toetreding wacht. Met vriendelijkheid zonder eerlijkheid wordt Europa misschien wel groot, maar het is voze groei – grootheid zonder innerlijke kracht.

zoveel twijfels bestaan?