Een moeras? Of liever een boslandschap? Over het gevaar van zelfgemaakte natuur

In Nederland zijn we gaan denken dat natuur iets is wat we helemaal zelf maken.

Dat is in het groot gezien niet zo'n goed idee. De Nota Ruimte, waarover de Tweede Kamer binnenkort discussieert, wil de invulling van `natuur' overlaten aan provincies en gemeenten. Maar er is leiding nodig.

Toen aan het einde van de 19de eeuw, in de nadagen van de Romantiek, natuurbescherming als thema naar voren kwam in de westerse samenleving, waren de uitgangspunten nog relatief eenvoudig. Er was de invloedssfeer van de mens: de cultuur. Daarbuiten lag een wereld die zich daaraan onttrok: de natuur. Die `ongecultiveerde' omgeving, waarvoor zich in de Romantiek zoveel hartstocht ontwikkeld had, was als gevolg van de agrarische en industriële revolutie echter sterk aan het slinken.

In Europa en in de Verenigde Staten stonden pleitbezorgers van natuurbescherming op. Hun boodschap was simpel: op daarvoor aan te wijzen plaatsen diende de natuur tegen de mens en zijn activiteiten, dat wil zeggen tegen de cultuur, beschermd te worden. Enerzijds werd een eigen waarde van alle vormen van leven bepleit (tegenwoordig zouden we van de intrinsieke waarde van de natuur spreken). Anderzijds werd de betekenis van de natuur voor de mens benadrukt: de waarde voor de wetenschap bijvoorbeeld of de waarde voor onze esthetische genoegens.

Ook de Nederlandse natuurbescherming, die ruim een eeuw geleden opkwam, werd aanvankelijk gekenmerkt door het uitgangspunt dat natuur en cultuur onverenigbaar zijn. Maar al snel merkte men dat dat moeilijkheden opleverde: als men in natuurreservaten niets meer deed, kon het gebeuren dat soorten achteruitgingen. Wanneer bijvoorbeeld in laagveenmoerassen geen riet meer werd gemaaid, bleken allerlei vogel- en plantensoorten te verdwijnen. Er ontwikkelde zich een heftig debat over de wenselijkheid van menselijk ingrijpen in natuurreservaten.

Rond 1950 bood de botanicus Victor Westhoff een wetenschappelijke oplossing in de discussie. Hij gaf aan dat traditionele landbouwpraktijken juist geleid hadden tot allerlei soortenrijke plantengemeenschappen, zoals dotterbloemhooilanden, kalkgraslanden en heiden. Hij betoogde dat deze vegetatietypen, waarvoor hij de term 'halfnatuurlijk' introduceerde, op ecologische gronden net zo beschermenswaardig waren als de meer natuurlijke plantengemeenschappen.

Bovendien waren als gevolg van intensiveringprocessen in de landbouw zulke gemeenschappen in versneld tempo aan het verdwijnen en vanaf het midden van de vorige eeuw gingen natuurbeschermingsorganisaties er meer en meer toe over ook halfnatuurlijke terreinen aan te kopen. Naast reservaten waarin min of meer wilde natuur beschermd werd en waarin weinig of niet werd ingegrepen, ontstonden er in toenemende mate reservaten waarin de traditionele landbouwpraktijken, zoals maaien, begrazen, branden en plaggen, als beheersmaatregelen werden voortgezet. De klassieke natuurbescherming begon te veranderen in natuurbeheer.

De landbouw in Nederland intensiveerde steeds verder en onze natuurreservaten werden ten slotte eilanden in een sterk ontwaterd en bemest agrarisch landschap. Ze verdroogden en raakten vol meststoffen met als gevolg een alarmerende achteruitgang van soorten. Traditioneel beheer was niet meer genoeg; er was ook herstel nodig. In veel reservaten proberen beheerders met technische ingrepen de schade weer ongedaan te maken: water wordt opgestuwd en gezuiverd, met mest verontreinigde bodems worden afgegraven, verdwenen soorten geherintroduceerd.

Dit alles begon in de ogen van sommige ecologen meer en meer te lijken op tuinieren, of op wat de Engelsen zo treffend `wildlife gardening' noemen. Deze ecologen stelden dat wat in allerlei natuurreservaten met veel kunst- en vliegwerk in leven werd gehouden, sowieso niets meer was dan een bijproduct van het historische agrarisch bedrijf. Op de intensive care unit van het natuurbeheer lagen volgens hen geen natuurterreinen maar cultuurhistorische artefacten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in sommige kringen weer beelden opkwamen van een autonome natuur. De natuurontwikkeling werd geboren. Deze is erop gericht grote, aaneengesloten gebieden zo in te richten dat de natuur er weer vrij spel kan krijgen, waarna de mens zich als beheerder kan terugtrekken.

Met de weg die we in ons land zijn gegaan van natuurbescherming, naar natuurbeheer, naar natuurherstel en ten slotte naar natuurontwikkeling, lijkt het bijna of de cirkel weer rond is. Maar toch is er ook iets nieuws. In de klassieke natuurbescherming en in het traditionele natuurbeheer ging het om het behoud van het groene erfgoed. Tot in de jaren '70 van de vorige eeuw probeerden we de natuur zoals ons die was overgeleverd – of ze nu wild of nog maar half wild was – in stand te houden. In bescherming en beheer vormde deze natuur zelf het referentiebeeld.

In allerlei natuurherstel- en natuurontwikkelingsprojecten gaat het echter niet meer om instandhouding maar om nieuwe vorming van natuur. Een voorbeeld: bij het herstel van een verdroogd en vermest beekdal kunnen we kiezen wat we willen vormen: een landschap met hagen en houtwallen en bloemrijke hooilanden, een moeraslandschap, een gesloten boslandschap, of – wanneer we grote grazers inzetten – een halfopen boslandschap. Het is – binnen zekere grenzen – allemaal mogelijk. Bij natuurontwikkeling maken we soms zelfs geheel nieuwe landschappen.

De natuurontwikkelingsgedachte was ingegeven door de behoefte natuur en cultuur weer te ontkoppelen om een eind te kunnen maken aan het intensive care-beheer. Maar zelfs de meest fervente natuurontwikkelaar zal toegeven dat de beslissingen die hij neemt bij de inrichting van een gebied (bijvoorbeeld hoeveel grond hij afgraaft) een sterk stempel zullen drukken op de natuur die daar zal ontstaan.

Zeker, historisch gezien is het Nederlandse landschap in hoge mate door de mens gevormd en daarmee heeft ook onze natuur al heel lang sterke invloed ondergaan van menselijk handelen. Maar haar verschijningsvorm was niet opzettelijk door ons ontworpen. Nu is ze echter meer en meer een deel van het culturele domein aan het worden, want we zijn haar in toenemende mate aan het plannen naar ons beeld van wat natuur zou moeten zijn.

Nu zouden we ons met de dichter J.C. Bloem kunnen afvragen wat natuur dan nog is in dit land en Nederland verder maar afdoen als een groot park. We kunnen ons ook laten uitdagen. Want nu onze rol verandert van rentmeester naar architect van de natuur, komen interessante nieuwe vragen en verantwoordelijkheden naar voren. Wat voor blauwdruk gebruiken we hierbij? En wie maakt deze blauwdruk? De ecologen? En welke; die van de halfnatuurlijke natuur of die van de autonome? De natuurbeheerders? De beleidsmakers? De burgers? En voor wie ontwerpen we? Voor de natuur? Voor onszelf? Of ook voor degenen die na ons dit land bevolken? En houden we dan ook rekening met hun mogelijke wensen en beelden? En wie moet dat betalen (daarbij voor ogen houdend dat traditioneel beheer inmiddels zeer kostbaar is geworden)?

We hebben snel antwoorden nodig. Want, al hebben natuurherstellers en -ontwikkelaars het niet zo gewild, geleidelijk is, zowel bij beleidsmakers als bij het grote publiek, het beeld ontstaan van een maakbare (en daardoor ook vervangbare) natuur. Dat uit zich in allerlei beleidsdocumenten waarin gesproken wordt van `doeltypen' en `streefbeelden'. Dat klinkt door in de beleidsnota voor natuur en landschap die de regering in 2000 liet uitkomen, waarin gesteld wordt dat de overheid zich voorneemt met de provincies ,,afspraken te maken over welke natuur waar wordt gerealiseerd''. (Dit is een zin die ik in het buitenland maar niet krijg uitgelegd!)

Dit beeld van de maakbaarheid van de natuur heeft er naar mijn idee ook toe bijgedragen dat in ons land het begrip natuur steeds breder en dus steeds vager wordt. Nog niet zo lang geleden werd in het publieke debat het woord natuur vooral verbonden met kwetsbare en onvervangbare terreinen en met de rijkdom aan wilde planten- en diersoorten. Tegenwoordig lijkt alles wat groen is, natuur te gaan heten. In streekplannen staat zowat elke populierenaanplanting als natuur op de kaart. Projectontwikkelaars die wat ruimte inplannen voor decoratief groen spreken al gauw over natuur.

De natuur als groen product; liefst ook nog zo nuttig mogelijk. In het verleden brachten natuurbeschermers zowel de eigen waarde van de natuur als haar nut voor de mens naar voren. In ons land wordt in recente tijd vooral dat laatste benadrukt.

Nu de wateroverlast toeneemt, krijgt de natuur de functie van waterberger toebedeeld. En natuurorganisaties spreken, om draagvlak voor hun werk te houden, veel over de recreatieve waarde van natuur. Daar is op zichzelf niets tegen, maar langzaam dreigt het beeld te ontstaan dat het voornaamste bestaansrecht van de natuur gelegen is in de betekenis die ze heeft voor onze ontspanning.

Deze verschuiving in perceptie van natuur als kwetsbaar erfgoed naar maakbare commodity is nogal typerend voor Nederland. Zo weinig natuur als we in Nederland nog hebben, zo veelvuldig zijn de gebruikerswensen geworden. Maar de wereld houdt niet bij onze dijken op. We hebben ook te maken met een buitenwereld die nog altijd uitgaat van een meer traditioneel uitgangspunt: het behoud van de variatie in ecosystemen, levensgemeenschappen en soorten. En aan die buitenwereld hebben we verplichtingen via allerlei internationale verdragen (o.a. Europese Habitat- en Vogelrichtlijn, Biodiversiteitsverdrag).

Er begint zich geleidelijk een spanningsveld af te tekenen tussen onze opvattingen over bruikbare en maakbare natuur en onze internationale afspraken. Zo gaat waterberging in natuur niet altijd samen met behoud van internationaal belangrijke levensgemeenschappen en soorten.

Meer dan ooit is een goede regie in het natuur- en landschapsbeleid nodig. En precies nú is de regering met een document gekomen, de Nota Ruimte, waarin enerzijds de gebruikswaarde van natuur nog eens wordt benadrukt en anderzijds de verantwoordelijkheden voor de groene ruimte worden gedecentraliseerd. De centrale overheid blijft verantwoordelijk voor de Europese afspraken en voor de beleidsontwikkeling in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en in een aantal zogenoemde Nationale Landschappen. Maar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dat beleid gaat naar de lagere overheden.

Buiten voornoemde gebieden worden de lagere overheden verantwoordelijk voor zowel beleidsontwikkeling als -uitvoering. De achtergrondgedachte is dat wanneer de verantwoordelijkheid dichter bij de burger komt te liggen, diens zorg voor de groene ruimte toeneemt.

Misschien is dat zo, mits de lagere overheden ook het instrumentarium en de middelen krijgen toebedeeld die bij de nieuwe verantwoordelijkheden horen en daarover biedt de Nota Ruimte allerminst zekerheid. Maar de kans is groter dat we toegaan naar een nog sterker verrommeld landschap dan we al hebben, terwijl natuur daarin vooral de rol van decoratief en recreatief groen krijgt toegewezen met als gevolg een verdere verschraling van flora en fauna.

In Ierland, waar ik ook werkzaam ben, heeft vanaf de oprichting van de republiek de centrale overheid nauwelijks een rol gehad in de ruimtelijke ordening. De verantwoordelijkheden liggen vanouds bij de County Councils (de bestuurslichamen van de graafschappen). Zolang Ierland een relatief arm land bleef, was er weinig te ordenen. Vanaf de periode van de Keltische Tijger echter, waarin het Ierland economisch enorm voor de wind is gegaan, werden de gevolgen van een naar lagere overheden gedelegeerd beleid zichtbaar: er is nauwelijks een westers land waarin natuur en landschap in zo korte tijd zoveel geleden hebben.

Als tegenwicht heeft de centrale overheid enkele jaren geleden onder meer een Heritage Council opgericht die landelijke strategieën voor de ruimtelijke ordening ontwikkelt, en verder de belangrijkste particuliere organisatie voor natuur- en landschapsbescherming het recht gegeven beroep aan te tekenen bij de plannen van de County Councils. Deze beweging is het omgekeerde van wat in ons land wordt voorgesteld.

Misschien moeten we nog eens erg goed nadenken over de voor- en nadelen van de decentralisatie van verantwoordelijkheden voor onze groene ruimte. En als we dan tóch willen decentraliseren, verdient het aanbeveling organisaties die een lange ervaring hebben in het natuurbeheer en die tevens vanuit nationaal en internationaal perspectief kunnen denken, als onafhankelijke deskundigen in de verschillende bestuurslagen een taak te geven bij de uitwerking en de evaluatie van het door de Nota Ruimte voorgestelde natuur- en landschapsbeleid. Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de gezamenlijke Provinciale landschappen zijn dan de aangewezen kandidaten.

Matthijs Schouten is bijzonder hoogleraar Ecologie van het Natuurherstel aan de Wageningen Universiteit, adjunct-hoogleraar Natuur- en Landschapsbescherming aan de universiteiten van Cork en Galway (Ierland) en medewerker ecologie van Staatsbosbeheer.