De krant antwoordt

Gelukkig kan deze rubriek ook dienen om rectificaties nader toe te lichten en zo het bericht alsnog in de juiste proporties te brengen. Hetgeen niet wegneemt dat het, een week later, behelpen is met zo'n uitleg. We leren hiervan alvast dat we een manier moeten verzinnen om een fout in de opening van de krant prominenter te herstellen. Bijvoorbeeld een dag later bovenin de kolom vet gezette berichten. Daar was hier gezien de vervolgschade alle reden voor. Dit bericht werd door veel media, inclusief foute kop overgenomen en vervolgens door vrijwel niemand meer hersteld. Er zijn ook Kamervragen over gesteld, met fout en al.

Dit stukje wordt dus in grote verlegenheid geschreven, want we hebben hier collectief, auteurs, eind- en hoofdredactie, een steek laten vallen. Aan tijdgebrek kan het niet gelegen hebben, want beide artikelen stonden al een poosje te wachten op publicatie. Er was plaatsgebrek: de dood van Bernhard en de nasleep legde beslag op de binnenlandpagina's.

Ook aan het contact met de bron heeft het niet gelegen. De onderzoekers lazen bericht en artikel na op fouten of misverstanden. Dat wil zeggen, met uitzondering van de laatste versie waarin op vrijdagochtend in de allereerste zin de fout werd gemaakt.

Die fout maakten we op de redactie, met z'n allen tegelijk, omdat we de kwestie zo duidelijk mogelijk naar voren wilden brengen. En, eerlijk gezegd, ook omdat berichten op de voorpagina liefst zo feitelijk en statistisch zo hard mogelijk moeten zijn. Je moet daarbij oppassen dat je een bericht niet toeschrijft naar de plek op de pagina die je ervoor in gedachten hebt.

Aanvankelijk begon het nieuwsbericht aldus: ,,Een op de drie zedenstrafzaken tegen minderjarige jongens betreft een groepsverkrachting of aanranding in groepsverband. Het openbaar ministerie behandelt jaarlijks 600 zedenzaken van minderjarige daders.'' De eerste kopsuggestie luidde: `Groepsverkrachting typisch jeugddelict', met in de vlag (bovenkop) `Eenderde van alle jeugdzedenzaken'. Dat leidde tot de vraag van de voorpaginachef (lid hoofdredactie): `Ja maar, om hóéveel verkrachtingen gaat het dan?'

Die vraag is vervolgens eenvoudig (maar fout) beantwoord: 600 zaken gedeeld door drie, is 200 zaken, is dus 200 verkrachtingen. Daarna luidde de eerste zin: Minderjarige jongens plegen in groepsverband per jaar ten minste 200 groepsverkrachtingen of aanrandingen in Nederland. De tweede zin bleef ongewijzigd. In het redactionele gesprek werd het bericht nog steviger samengevat: er is `om de dag' in Nederland een groepsverkrachting gaande. Als dat geen nieuws is, waarmee je de krant kunt openen...

De fout die hier werd gemaakt is dat een `zaak' bij het openbaar ministerie tegen een verdachte wordt aangespannen, en niet tegen een misdrijf. En aangezien het hier juist om een misdrijf gaat dat door meer daders wordt gepleegd, staan 200 zaken noodzakelijkerwijs juist voor mínder verkrachtingen dan 200. Bekend is dat een groepsverkrachting op verschillende manieren bij justitie wordt afgehandeld. Soms wordt de hoofdverdachte voor de kinderrechter gebracht (een `zaak'), maar het komt ook voor dat daders voor een taakstraf direct naar het bureau HALT worden gestuurd. Zij komen in deze onderzochte statistieken over zedenstrafzaken dus niet voor.

Een belangrijke conclusie van het onderzoek was dat het zogenoemde `dark number' van het aantal verkrachtingen vrij hoog ingeschat moet worden. Een aantal van 200 groepsverkrachtingen is volgens de onderzoekers geen hard feit, zoals dat uit de krantenkop sprak, maar wel een mogelijkheid. De onderzoekers vonden achteraf de kop ,,te hard'' maar, zo begrijp ik, ook weer niet faliekant onjuist. Zij meenden dat het ,,bij kranten nu eenmaal zo gaat'' met dit soort nieuws. Ik vrees dat dat wel klopt, maar dat zou juist bij deze krant niet zo moeten zijn.

Kortom, de les is dat we met het trekken van conclusies uit statistieken heel kritisch op onszelf moeten blijven. Wellicht hadden we het bij het achtergrondartikel moeten laten en de cijfers in een apart inzetje moeten behandelen.