Cijfers zeggen niets over ons wiskundeonderwijs

Het is weer voorpaginanieuws (NRC Handelsblad, 7 december): `Scholier scoort goed in wiskunde.' Hoe is dat te rijmen met de te geringe belangstelling voor de `harde' bètavakken? Het antwoord op deze vraag is eenvoudig. PISA 2003 behelst onderzoek naar kennis, vaardigheden en inzicht in wiskunde bij 15-jarigen zoals die nodig zijn voor een goed functioneren in de maatschappij. Daartoe krijgen de leerlingen vragen voorgelegd die leerlingen met enig talent goed kunnen beantwoorden al voordat ze enig wiskundeonderwijs hebben gehad. Dat ook grote groepen van minder getalenteerde leerlingen dit niveau in een drietal jaren weten te bereiken, is zeker aan te merken als een verdienste van het Nederlands wiskundeonderwijs. Het effect van het onderwijs op meer getalenteerde leerlingen is hiermee niet onderzocht. Wel is duidelijk dat men deze leerlingen niet zo weet te boeien dat ze in de hardere bètavakken een toekomst zien. Het wiskundeonderwijs is pas echt goed als dat ook lukt.

Dat je in Nederland voldoende van wiskunde leert om te kunnen functioneren als lid van de maatschappij is mooi, maar dat heeft niets van doen met de kennismaatschappij die men zo graag nastreeft. Er zou in de onderbouw van het vwo wiskundeonderwijs geboden moeten worden dat interesse in exacte vakken stimuleert.

Bij een met PISA 2003 vergelijkbaar onderzoek in 1997 (het TIMSS) had ik dezelfde kritiek als nu en dat was toenmalig staatssecretaris Netelenbos behoorlijk in het verkeerde keelgat geschoten: het Nederlandse wiskundeonderwijs behoort immers tot het beste van de wereld. Bewindslieden hebben de menselijke neiging om onderzoeksresultaten in hun voordeel uit te leggen, ook al gaat dat tegen de logica in, en of het landsbelang ermee gediend is, is iets van geheel andere orde. Politici zouden geen genoegen moeten nemen met onderwijs waarvan de doelstellingen te beperkt zijn.