Alleenheersers

Het is gedaan met de hockeyhegemonie van India en Pakistan. Vóór de onafhankelijkheid van het Verenigd Koninkrijk in 1948 speelden beide landen nog als Brits-Indië als één team. Tijdens het toernooi om de Champions Trophy dat momenteel in Lahore (Pakistan) wordt gespeeld, blijkt eens temeer dat de traditionele toplanden het niveau van de huidige grootmachten niet meer kunnen bijbenen. De komst van het kunstgras, de mondiale professionalisering en de trainingstechnische ontwikkelingen hebben de balgoochelaars van India en Pakistan parten gespeeld. Ze komen in fysiek, technisch en tactisch opzicht tekort tegen Nederland, Spanje en Australië. Hoe anders was het tussen 1928 en 1968, toen de lichtvoetige hockeyers uit Azië – sommigen met tulband en op blote voeten – hun technische superioriteit tot uiting brachten met acht olympische titels op rij? Als de Spelen in 1940 en 1944 niet waren afgelast, zouden ze naar alle waarschijnlijkheid tien keer goud hebben gewonnen. Na de oorlog en de onafhankelijkheid waren ze als staatsamateurs – ze werkten officieel bij de spoorwegen of de nationale vliegtuigmaatschappij maar waren de hele dag met hockey bezig – nog meer in het voordeel tegen de Nederlandse studenten. De Brits-Indiërs introduceerden sticks met een kortere krul dan de `Engelse haak'. Ze beheersten het stoppen van de bal op de meest hobbelige velden. Korfbaluitslagen waren dan ook eerder regel dan uitzondering.

Dit is de negentiende aflevering in een serie over alleenheersers in de sport.