Wie de woede niet mist

`Een boek is mij liever dan een grafsteen, want je kinderen vertikken het toch je op het kerkhof te bezoeken.' Aan het begin van Met gebalde vuisten, de derde roman van de half-Britse Vlaming Joseph Pearce, heeft de hoofdpersoon een ferme beslissing genomen. Hij neemt vrijaf van zijn succesrijke carrière als beeldhouwer (van gebalde vuisten) en besluit om de geschiedenis van zijn Vilvoordse familie te schrijven, te beginnen bij zijn overgrootvader. Maar de 52-jarige Jan Vanweyenberg schrijft `een roman, geen historisch traktaat' en het maakt hem niet uit als hij `de feiten uit hun gewijde kleren stroopt en ze in een clownspak de straat op stuurt.' Wanneer hij bij een gedenkwaardige gebeurtenis extreme weersomstandigheden nodig heeft, dan verzint hij een `berekoude lentedag'; wanneer hij een van zijn voorouders moet beschrijven modelleert hij haar naar een markante oude dame uit zijn schoonfamilie.

Het is duidelijk dat Jan Vanweyenberg een alter ego is van Joseph Pearce, die ook in 1951 in Vilvoorde werd geboren, en die uit de geschiedenissen van zijn familie geslaagde romans als Koloniale waren (2001) en Maanzaad (2002) wist te destilleren. In het werk van Pearce komt de hele twintigste eeuw voorbij, van de loopgravenoorlog aan de IJzer en het oostjoodse leven in Breslau tot het pioniersbestaan in Palestina en de beschutte jaren zestig in België. Pearce, die in 1999 debuteerde met een non-fictieverhaal over zijn vaders familie (Het land van belofte), houdt zich aan de feiten van zijn autobiografie; maar hij zal het met Jan Vanweyenberg eens zijn dat een verteller geen scrupules aan de dag moet leggen: `Feiten zijn nuttig [...] De lezers denken dan dat de auteur weet waarover hij schrijft. Bovendien accepteren ze zo makkelijker leugens en alles wat hij voorts uit zijn duim zuigt.'

Met gebalde vuisten is dus niet zomaar een kroniek van het Vlaamse provincieleven rondom de vorige eeuwwisseling. Het verhaal van de ongeletterde, jonggestorven fabrieksarbeider Jan-Baptist en zijn vrouw en kinderen wordt doorsneden met scènes uit het leven van zijn biograaf (en achterkleinkind). Moderne Jan wordt gekritiseerd door zijn vrouw, die ernstige bezwaren heeft tegen de in haar ogen té expliciete manier waarop hij zijn familie beschrijft; en ook door zijn zoon de boekhouder, die vindt dat in een boek alleen de waarheid mag staan. Bovendien geeft Jan voortdurend zelf commentaar op zijn eigen werk, als was hij een ouderwetse postmodernist: `Ik mag de lezer niet overschatten. Willen we niet allemaal dat de schrijver klare wijn schenkt? Raadsels zijn voor het leven, niet voor een boek.'

Dat laatste is natuurlijk niet waar. Misschien is het ironie, maar eigenlijk gaat Met gebalde vuisten gebukt onder te veel simpelheid. Hoewel de Vanweyenbergs volgens Pearce' alter ego van de ene tragedie naar de andere strompelen, neem je er als lezer onaangedaan kennis van. De dood door een paardentrap van Jan-Baptist, het gesappel van zijn vrouw en kinderen, de kinderloosheid van zijn broer, het leed van de Eerste Wereldoorlog – Pearce weet het allemaal vaardig en met een zekere humor te beschrijven; maar je wordt niet bepaald doordrongen van de hardheid van het leven aan het begin van de twintigste eeuw. Het is misschien gemeen om Pearce te vergelijken met iemand als Louis Paul Boon, maar wat mist in Met gebalde vuisten is de nauwverholen woede en het prikkeldraadproza dat diens schetsen van de modernisering van Vlaanderen zo memorabel maakt. Zelfs het gestileerde Vlaams waarmee Pearce in Koloniale waren eer inlegde, lijkt te zijn weggepolijst.

`Wie uit de modder omhoog wilde kruipen, werd er met geweld twee keer dieper in getrapt' denkt Jan-Baptist een paar minuten voor zijn dood. Van die modder had ik meer willen zien in Met gebalde vuisten. Pearce' alter ego is goed in zijn reconstructies van de kleine dingen van het dagelijkse leven – waar vind je zo'n gave beschrijving van de voorjaarsschoonmaak? – maar hij is als romancier te braaf. Natuurlijk, het kan heel goed dat Pearce het zo bedoeld heeft en dat hij zijn hoofdpersoon heeft willen afschilderen als een risicoloze chroniqueur. In dat geval is hij in zijn opzet geslaagd, maar doet hij zijn publiek tekort. Aan het eind van het boek mijmert Jan dat het eerste deel van de door hem beoogde trilogie eindigt in het midden van de oorlog: `Een ideaal moment. De lezer zal naar het tweede deel uitkijken zoals een zeehond in de zoo naar een nieuwe haring.' Zelfs als ik niet zou vallen over de fletse beeldspraak, durf ik dit te betwijfelen.

Joseph Pearce: Met gebalde vuisten. Meulenhoff, 268 blz. €16,50