Weg met dat lichaam

Twintig jaar geleden schreef de Franse historicus Jacques Le Goff, in een opstel over `Lichaam en ideologie in het middeleeuwse Westen', opgenomen in de bundel L'Imaginaire médiéval: `Te midden van de grote culturele revoluties die verbonden zijn met de triomf van het christendom in het Westen, neemt de culturele revolutie van het lichaam een voorname plaats in.' Het menselijk lichaam werd in de christelijke ethiek ontegenzeggelijk gedeprecieerd en meer dan eens verloochend. Daarbij moeten de verschillen tussen de christelijke en Romeins-heidense moraal niet worden overschat. Vooral Paul Veyne en Michel Foucault hebben aangetoond dat de geringschatting van het lichaam al een topic was in de tijd van de Antonijnen. Dat neemt niet weg dat de plaatsen waar het lichaam werd getoond en gecultiveerd – de badhuizen, sportscholen en amfitheaters – pas in de vroege Middeleeuwen voorgoed werden geruimd. De nieuwe moraal kon doordringen tot brede lagen van de bevolking door het succes van het geïnstitutionaliseerde christendom. Indringend werd de nieuwe visie op het lichaam verbeeld door paus Gregorius de Grote in zijn levensbeschrijving van Benedictus. Om lichamelijke aanvechtingen te weerstaan wierp de monnik zich naakt in scherpe dorens en prikkende brandnetels. `En terwijl hij van buiten in brand stond, bluste hij wat er ongeoorloofd brandde van binnen. Zo overwon hij de zonde.'

Volgens de Franse mediëvist Jacques Le Goff, deden de grootste veranderingen zich voor in de dertiende eeuw. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat de zogenaamde Renaissance wat hem betreft nooit heeft bestaan. Pas met de industriële, politieke en nationale revoluties van de negentiende eeuw kwam een einde aan de `lange Middeleeuwen'. Als er al sprake is geweest van een Renaissance, dan moet die eerder in de dertiende eeuw worden gezocht. Deze periode gaf de opkomst van het individu te zien en een opleving in de belangstelling voor schrijvers van de Oudheid (vooral Seneca, Cicero en later in de eeuw Aristoteles). In deze tijd ontstonden ook nieuwe opvattingen over het lichaam, die tot uitdrukking kwamen in de hoofse liefde, de body culture van de stedelijke badhuizen, en de kloosterreglementen en manierenboeken, waarin gebaren en lichaamshoudingen werden vastgelegd. Door de toenemende segmentering van de samenleving probeerden de verschillende groepen – zoals edelen en burgers, kloosterlingen van Cluny en monniken van Cîteaux – zich door lichaamstaal van elkaar te onderscheiden.

Het nu vertaalde boek van Le Goff is minder vernieuwend dan de auteur wil doen geloven. Een hausse aan studies op het terrein van body history zag de laatste jaren het licht. Inmiddels is zelfs een monografie over skin art en bodypiercing in de Middeleeuwen verschenen. De grootste tekortkoming van De geschiedenis van het lichaam in de Middeleeuwen is de rommelige opbouw van dit uit interviews voortgekomen boek. Dat wreekt zich vooral in het laatste hoofdstuk, dat handelt over het lichaam als metafoor. Volgens Le Goff werden antieke `organicistische' staatsconcepties overgenomen door de middeleeuwers. Maar waar de Ouden voorrang gaven aan hoofd, ingewanden en ledematen, favoriseerden de middeleeuwers hoofd en hart. Met die vaststelling moet de lezer het doen. Dat is jammer, want Le Goff heeft elders boeiende inzichten hieromtrent naar voren gebracht. Daarom was een vertaling van enkele opstellen van Le Goff, te beginnen met artikelen uit L'Imaginaire médiéval, een betere keuze geweest.

Jacques Le Goff en Nicolas Truong: De geschiedenis van het lichaam in de Middeleeuwen. Uit het Frans vertaald door Théo Buckinx. Bert Bakker, 207 blz. €17,95