Tegen elkaar op zwijgen

Ben je een verzetsheld als door jouw berichten aan de Engelsen tenminste drie Duitse duikboten met driehonderd manschappen tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog met man en muis zijn vergaan?

De Franse schrijver Marc Dugain (1957) denkt, na enige aarzeling, van wel. In Gelukkig als God in Frankrijk baseert Dugain zich op de ervaringen van zijn oom Pierre om stem te geven aan de anonieme verzetsstrijders die na de Tweede Wereldoorlog niet te koop liepen met heroïsche verhalen. In De officierskamer (besproken in Boeken, 27.12.02) smeedde hij de ervaringen van zijn grootvader uit de Eerste Wereldoorlog tot een subtiele roman, over de lichamelijke, psychische en sociale gevolgen van het verder moeten leven met een zwaar verminkt gelaat. In Dugains nieuwste roman treft vooral de toevallige manier waarop de 21-jarige Pierre Joubert in het verzet rolt, een idealist noch een krachtpatser, die een grenzeloze bewondering koestert voor zijn oom, wiens gezicht in 1914 door een granaat verminkt raakte.

Om in het verzet effectief te opereren moet Pierre eerst `dood'. Zijn vader, een fanatieke communist, ensceneert diens overlijden – ten gevolge van `acute virale meningitis' – met begrafenis en al. Nu begint voor Pierre een onzeker bestaan waarin hij geen twee nachten in hetzelfde bed slaapt en onmogelijke opdrachten krijgt. Vanuit een hinderlaag moet hij bijvoorbeeld een man koelbloedig omleggen. Om het er heelhuids vanaf te brengen, denkt Pierre, moet hij zichzelf zien als een gewone soldaat: `Nooit terugkijken op wat gedaan is, maar gewoon doen wat gedaan moest worden.' Als hij na de oorlog zijn maat uit het verzet tegen het lijf loopt die hem destijds de moordopdracht gaf, praat hij er met geen woord meer over.

Opmerkelijk genoeg gaat Pierre, inmiddels getrouwd met de communiste Claudine, na de oorlog wél zelf op zoek naar Mila, de Spaans-joodse contactpersoon bij de onderzeebootbasis in Nantes. Op die basis werkte Pierre in het café waar de Duitsers zich vol kwamen gooien voordat ze ten onder gingen. Een Duitse geschutscommandant daar had hem gevraagd een zekere Jacqueline te traceren voor het geval hij zou sneuvelen. Pierre komt zijn belofte na en zorgt voor deze Franse vrouw die een zoon van de Duitser blijkt te hebben. Hij behandelt de jongen als zijn petekind. En het lukt hem ook om Mila op te sporen, die als arts in Casablanca werkt. Hij raakt zeer gesteld op haar, wil haar zijn liefde bekennen, maar durft er niet over te beginnen, zoals Mila niet durft te praten over wat ze heeft doorgemaakt in Buchenwald. Hun band berust op zwijgen.

Jammer genoeg wil Gelukkig als God in Frankrijk niet echt spannend worden, simpelweg omdat er te veel gezwegen wordt. Het boek kabbelt van fragment naar fragment, op zichzelf interessante fragmenten, maar ze willen maar geen geheel vormen. De passage waarin Pierre zijn eerste moordopdracht uitvoert is zo'n indringend fragment en dat geldt ook voor het einde. Pierre's neiging om nare gebeurtenissen toe te dekken heeft dan opnieuw pijnlijke gevolgen. Als hij een beroerte krijgt, ontdekt zijn vrouw Claudine dat hij twee vliegtickets op zak heeft. Pierre wilde daarmee een aardig gebaar maken naar Jacqueline en zijn petekind. Maar Claudine denkt vanaf dat moment, ten onrechte, dat haar man vijftig jaar lang een dubbelleven heeft geleid.

Marc Dugain: Gelukkig als God in Frankrijk. Vertaald uit het Frans door Per Justesen. Oorlogsdomein nr. 12. De Arbeiderspers, 180 blz. €22,95