Persmagnaat krijgt twijfels

Er zijn de laatste twintig jaar zelden zes maanden voorbijgegaan zonder een nieuw boek van A.N. Wilson: vaak een roman, soms een biografie (van Milton, Tolstoj, Iris Murdoch); en dan zijn werken over Jezus en Paulus. Bovendien verschijnen er telkens artikelen en kritieken van hem, goed geïnformeerd en welbespraakt.

De roman My Name is Legion, aangekondigd als een satire op de boulevardpers en omringende aspecten van de Britse maatschappij, leek de belangstelling waard. Wilson heeft zoveel ervaring opgedaan in de wereld van pers en publiciteit, hij kent er zoveel mensen en zijn snelle pen heeft zo'n scherpe punt, dat hij heel onderhoudend een hoop lelijks zou moeten kunnen vertellen. Wij leren in de eerste hoofdstukken Lennox Mark kennen, eigenaar van de Daily Legion en de Sunday Legion en horen hoe hij het, stammend uit een verarmde familie van kolonialen, zo ver heeft kunnen brengen. Hij geniet de financiële steun van generaal Bindiga, de dictator van het Afrikaanse land Zinariya, die hij inderijd bijgestaan heeft in zijn bevrijdingsoorlog en wiens totalitaire beleid hij nu in zijn bladen goedpraat.

Aan deze Lennox Mark, hoe verwerpelijk ook als Press Lord, blijkt als romanfiguur weinig te beleven. Er gaat meer menselijks om in een aantal journalisten van zijn bladen; zij schamen zich in verschillende mate voor het werk dat zij doen, en voor hun onwilligheid om aan iets anders te beginnen waarmee zij misschien minder zouden verdienen.

Het morele verval van de redacteuren is het voornaamste wat wij van Marks kranten te weten komen. Wat de generaal Bindiga voor belang heeft bij de steun van de derderangs krant in Londen wordt niet goed begrijpelijk; en zo blijft de behoefte van de lezer aan satirische afstraffing onvervuld. De aandacht wordt ervan afgeleid door een tweede hoofdpersoon, Vivyan Chell, oud-officier, oud-missionaris in Afrika en nu priester van een kerk in Zuid-Londen waarvan hij de pastorie openstelt voor daklozen. Hij kent Bindiga van vroeger en is een actieve bestrijder geworden van diens regime, en daarmee van de Pro-Zinariyaanse houding van de Daily Legion. Hij besluit Lennox Mark op te zoeken, die ook een oude bekende van hem is uit Afrika; zij worden het natuurlijk niet eens en hun conflict heeft explosieve gevolgen.

Chell krijgt grotere betekenis voor het verhaal dan Mark, doordat Wilson zich betrokken voelt bij zijn levensopvatting, waarin vraagstukken aan de orde komen die buiten het begrip van de simpele krantenmagnaat liggen. Vroeger in Afrika heeft hij al bij zichzelf bespeurd dat zijn geloof in God tekortschoot; wat hij bedoelt met geloven is `the preparedness to live as if God was really there'. Het zal iedere lezer opvallen dat de levensvragen van de priester Wilson ter harte gaan, terwijl het opportunisme van krantenuitgevers maar een onderwerp is om voor de hand liggende opinies over uit te spreken. Dat is geen verrassing voor iemand die zijn literaire loopbaan heeft bijgehouden. Een jaar of tien geleden heeft hij met enige publicitaire drukte zijn lidmaatschap van de kerk opgezegd, gemotiveerd door twijfels en ergernissen verwant met die van Chell.

Er treedt nog een derde bijna-hoofdpersoon op, iemand die aan psychische stoornissen lijdt waardoor hij verschillende persoonlijkheden gaat uitdrukken. Hij vervult een sleutelrol in de laatste fase van het verhaal, wanneer Chell omkomt en het lot van verscheidene anderen die wij hebben leren kennen nog meevalt. Niemand zal beweren dat dit een meesterwerk is. Het is geen boek dat het Londen waar het over gaat in literatuur vertaald heeft; het is maar een vertaling van Wilsons eigen gedachten.

A.N. Wilson: My Name is Legion. Hutchinson, 506 blz. €26,50