Kerst met de Tokkies

Guus Middag luistert naar Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Verre kerst' van de familie Tokkie, die bekend werd door haar asociale gedrag in een reality-soap.

Wat eet een vegetariër zoal? J.H. Speenhoff wist het wel, toen hij rond 1900 hun weekmenu bezong: `Zondags bonen, maandags bonen,/ dinsdags bonen, woensdags bonen,/ donderdags gepofte bonen,/ vrijdags bonen, altijd bonen,/ zaterdags gestoofde bonen.' Wij zien hier de stijlfiguur van de herhaling. En de stijlfiguur heeft een duidelijke functie: de herhaling van het woord symboliseert de herhaling van elke dag weer hetzelfde eten. Na enkele regels komt alleen al het woord `bonen' je de neus uit.

Een vergelijkbaar effect moet de tekstschrijver van de Tokkies voor ogen hebben gestaan toen hij zich zette aan het schrijven van een Tokkie-kerstlied. Na een korte instrumentale introductie zet vader Gerrie in met een monotoon gezingzegd `Kerstboom, kerstzang, kerstzegel, kersttijd, kerstmaal, kerstkip, kerstboter, kerstman'.

Terwijl hij even mag ademhalen doet moeder Tokkie een duit in het zakje: `Kerstlicht!' Daarna neemt vader het weer over. In een straf tempo spreekt hij het eerste couplet vol: `kerstshow, kerststal, kerst-cd, kerstvakantie, kersttak, kerstbal.' Ook hier zien we de stijlfiguur van de herhaling. Heeft het ook hier een functie? Jawel. De opsomming van al die kerstattributen is de voorbode van deze conclusie van Gerrie, op klagende toon uitgesproken: `Het is alles kerst wat de klok slaat.'

In het genre van het kerstlied hoort men eigenlijk te dromen van een witte kerst, maar daar verlangen de Tokkies helemaal niet naar. Geen sneeuw, geen kerstclichés: `Ik laat mij echt hier niet langer ondersneeuwen', moppert Gerrie, en hij vervolgt vrolijk: `Dus wij gaan er lekker tussenuit!' Als eerste reisdoel stelt zijn Hanna Israël voor. Maar Israël valt af, want `Israël is veel te ver weg, mens' en ook `veel te duur'.

En verder gaat het weer met opsommen. `Kerstwake, kerstmis, kerstkrans, kerststol', schotelt Gerrie ons voor, in zijn onweerstaanbare en onnavolgbaar toonloze en tandeloze dictie, waardoor je vanzelf gaat meebrabbelen. `Kersjtviering, kersjtpeen, kersjtstaaf, kersjtweer.' Ook de rest van de Tokkiefamilie (`kerstbrood, kerstkaart, kerstfeest, kerstrapport') mag beurtelings (`kerstkoek') een steentje (`kerstkring') bijdragen (`kerstklok'). Als tweede vluchtoptie wordt dan Australië onder de loep genomen, maar ook meteen weer verworpen – vanwege de kangoeroes natuurlijk, `halve zool'.

Met die zonnige bestemmingen en de vrolijke reggaedeun lijkt dit lied wel een parodie op de traditionele kerstsingle. Het zou een carnavalslied kunnen zijn, maar verborgen tussen alle gebrabbel staat een onthullende zin: `Maar ik sta in de kou, mijn huis dat moest ik uit.' Daarmee krijgt het zomers klinkende reggaetokkielied alsnog een traditionele kerstachtergrond. In de kou, zonder huis: er was ook voor de Tokkies geen plaats meer in de herberg.

De Tokkies kunnen wel zingen dat ze naar Spanje vertrekken en daar `gesjellig aan de bar' zitten te genieten van `een lekker glaasje Sjangria', maar dat gelooft niemand meer. Onder hun `Verre kerst' gaat eigenlijk een eenzame kerst schuil. Hun opsomming van nog weer eens vijftien kerstingrediënten wordt besloten met `kerststuk'. Daar zou de goede verstaander een verwijzing naar Gijsbrecht van Aemstel in kunnen lezen. Dat was ook een Amsterdammer, ook rond de kerst op de vlucht na een soort burenruzie en een gevalletje van brandstichting. Vondel: `De kerstnacht lag aan stukken.' De Tokkies, bondiger: `Kerststuk.'

Een fragment van `Verre kerst' is te beluisteren via www.nrc.nl