Ik voel me een bastaard

De `Europese Literatuur', bestaat die eigenlijk? Margot Dijkgraaf maakt een tour d'horizon. Deze week de Tsjechische schrijver Jáchym Topol. ,,Boeken zijn geen prostituees, ze willen er niet per se goed uitzien.''

Een volle week heeft de Tsjechische schrijver Jáchym Topol gepeinsd over de vraag naar het al dan niet bestaan van een Europese literatuur. Hij is eruit: een dergelijke literatuur bestaat. Sterker nog: alle literatuur, over de hele wereld, is Europese literatuur. ,,Alle literatuur is geschreven op de schouders van de Europese reuzen uit de geschiedenis.'' Is dat nu geen goed politiek incorrect antwoord?

Al zijn collega's, betoogt hij, of het nu Fransen, Duitsers of Polen zijn, putten uit dezelfde literaire bronnen: de bijbel, de Griekse mythen, Shakespeare, de Franse dichters, Cervantes, Kafka en de gebroeders Grimm. Die vormen de basis van de beschaving, precies zoals dat al het geval was in de tijd van zijn vader en zijn grootvader. Het gaat zelfs op voor Noord-Amerikaanse auteurs, onderstreept hij: twee van zijn Indiaanse vrienden zijn bijna helemaal gevormd door Europese literatuur. ,,Iedere schrijver is een vis in deze magische literaire rivier. Neem me niet kwalijk dat ik me zo poëtisch uitdruk. Er zijn natuurlijk Indianen die nog heel dicht bij hun traditie, hun folklore en orale cultuur staan, maar dat zijn niet de mensen die schrijven.''

Jáchym Topol (Praag, 1962), auteur van proza en poëzie, vertaler van Amerikaans-Indiaanse mythen en sagen, is de zoon van de toneelschrijver, dichter en Shakespeare-vertaler Josef Topol. Hij brengt enkele maanden door in het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) in Wassenaar, te midden van wetenschappers uit de hele wereld. ,,Soms raak ik helemaal gedeprimeerd'', schertst Topol, ,,daar besef ik dagelijks hoe belangrijk de Engelse, de Franse en de Duitse literatuur zijn geweest. Ik kom uit zo'n vreselijk klein taalgebied! Maar een paar miljoen mensen spreken en lezen Tsjechisch, ik kan vreselijk jaloers zijn op auteurs die schrijven in talen met een veel groter bereik.''

Ook Topol is opgegroeid met het rijtje Europese literaire reuzen dat hij noemde. Van kinds af werd hem de bijbel voorgelezen. Als hij in zijn geboorteland is, gaat hij met zijn vrouw en zijn twee dochtertjes iedere zondag naar de kerk. Met een dikke knipoog relativeert hij de intensiteit van die godsbeleving. Shakespeare, de Franse dichters, Cervantes en de anderen las hij in het dorp waar zijn grootmoeder woonde, een gehucht dat hij opriep in zijn ook in het Nederlands vertaalde roman Nachtwerk.

Het is een indringende roman over een gezin dat in 1968, mede door de Russische inval in het toenmalige Tsjechoslowakije, uit elkaar valt. Moeder draait, wegens haar alcoholisme, een psychiatrische inrichting in; vader wordt gezocht wegens zijn staatsgevaarlijke werk als ingenieur. Hun twee zonen moeten onderduiken in het boerendorp van hun grootvader, een dorp waar hun een allesbehalve gastvrije ontvangst wacht.

,,De boeren in het dorp van mijn grootmoeder waren arm. Mijn grootmoeder kende twee boeken, één van de duivel en één van God, zoals ze zelf zei. Ze bedoelde Het communistisch manifest van Karl Marx en de bijbel. Toen ik bij haar kwam wonen, vond ze me maar een rare jongen, want ik wilde alleen maar lezen. De andere jongens van mijn leeftijd werkten op het land, zoals iedereen daar. Men versleet me voor gek, ik was het monster uit Praag. Als ik wilde lezen, zei mijn grootmoeder tegen me, had ik twee dingen nodig: schone handen en geld. Nu weet ik dat ze gelijk had.''

Volgens Topol is de Europese schrijver traditioneel iemand die vecht voor de vrijheid van zijn land, een strijder voor een betere wereld. ,,Jack London vocht tegen alcoholmisbruik, Dickens' David Copperfield stelde de armoede aan de kaak, weer anderen streden voor de rechten van de vrouw.'' Ook Topol vond, als jong dichter onder het communistische regime, dat hij moest strijden voor het behoud van zijn taal en voor de bevrijding van zijn volk.

Samen met vrienden smokkelde hij boeken de grens over die in Tsjecho-Slowakije verboden waren: van Havel, Kundera, Klima en Skvorecky. Hij bewoog zich in kringen van de Tsjechische literaire underground, waar verboden werken werden overgetypt, waar clandestiene pamfletten werden gedrukt en waar geluisterd werd naar verboden radiostations. In 1985 was hij mede-oprichter van `Revolver Revue,' een tijdschrift over nieuwe Tsjechische literatuur.

Die literatuur mag dan vaak hand in hand gaan met maatschappelijk engagement, toch heeft een volledig a-politiek auteur een enorme invloed gehad op Centraal-Europese schrijvers. ,,Kafka was een belangrijk onderdeel van mijn opvoeding. Mijn school was twee straten verwijderd van zijn geboortehuis. In onze taal wemelt het van de uitdrukkingen die verwijzen naar zijn werk. Als iemand met een kantoorbaan iets bijvoorbeeld als `kafkarna' betitelt, bedoelt hij bureaucratisch. Ik moet toegeven dat ik niet van Kafka's taal houd.Ik wil niet provoceren, hoor, maar ik vind hem saai, zelfs slaapverwekkend. Hij was altijd ziek, zat in een hoekje te schrijven. Het aantal lezers dat hij had liet hem koud.

Koffie met Brod

,,Er is een prachtige anekdote over Kafka en zijn vriend Max Brod. Ze zaten koffie te drinken in een Praags café. Kafka vertelde dat er elf exemplaren van zijn nieuwe roman, Het proces, waren verkocht. Tien zaten er in zijn eigen tas, maar hij was razend nieuwsgierig naar de koper van dat ene andere exemplaar.'' Juist dat maakt hem tot een voorbeeld voor iedere Europese auteur, vindt Topol. Hij leerde van zijn landgenoot ,,dat een schrijver voor zichzelf moet schrijven. Dat is het allerbelangrijkste. Een boek schrijven is iets wat ik zelf wil. Ik schrijf dat boek niet voor de markt, voor een uitgever of voor een lezer. Kafka was geen vechter voor een goede zaak. Daarmee stond hij lijnrecht tegenover de traditie in de Poolse of Tsjechische literatuur.''

Hoewel de Midden-Europese literatuur veel gemeen heeft, heeft de Tsjechische literatuur toch iets unieks: een speciaal soort humor. ,,Onze letteren kennen twee giganten die daar meesters in waren: Jaroslav Hasek, de auteur van De lotgevallen van de brave soldaat Svejk, en Bohumil Hrabal. Het is een mix van zwarte, cynische humor en een positieve levenshouding – een manier om te overleven. Polen en Tsjechen bijvoorbeeld hadden in de geschiedenis heel verschillende manieren om hun hoofd boven water te houden. Wij Tsjechen vonden de Polen moedig, ze dronken wodka en probeerden de nazi's te verslaan. De Polen van hun kant vonden ons slim: wij hielden ons gedeisd. Tijdens de bezetting had Hitlers Groot-Inquisiteur Heinrich Himmler zich hardop afgevraagd hoe hij de Tsjechische joden moest vermoorden, die `glimlachende beesten', maar hij wist niet hoe.''

Vergelijkbare zwarte humor vindt Topol in de romans van sommige jonge Ierse auteurs. ,,Verhalen over wezen in een arme arbeidersbuurt, over dronken vaders en iedere dag aardappels eten. Daar zit dezelfde overlevingshumor in. Zelfs als je situatie uitzichtloos is, als je wanhopig bent, moet je kunnen lachen.''

In de Tsjechische literatuur van nu vindt hij die karakteristiek nauwelijks meer terug. ,,Ja, zelf heb ik die humor nog wel, hoop ik. De nieuwe generatie schrijvers, die van in de twintig, lijkt meer en meer op hun Franse en Duitse collega's. Hun werk gaat over relaties, over moeders en zonen, over liefde, over geestdodend werk. Het zit hoe dan ook vol depressieve mensen.'' Volgens Topol zal er binnenkort nauwelijks meer onderscheid zijn tussen werk van een Tsjechische en een Franse romancier. ,,De pizza's zijn overal hetzelfde, de glazen constructies lijken overal op elkaar, de meisjes dragen overal dezelfde kleren. Vreselijk saai. Maar natuurlijk raken we met het nieuwe Europa ook steeds verder verwijderd van de massagraven. Dat is de goede kant.''

Ineens valt Topol een goede definitie van een Europese schrijver in: ,,Het is iemand die weet heeft van catastrofes, van verschrikkingen. Het is een persoon die weet wat het communisme heeft aangericht, wat de Tweede Wereldoorlog betekent, iemand bij wie de namen van Hitler, van Stalin beelden oproepen. Die geschiedenis bepaalt nog steeds het leven in de regio waar ik vandaan kom. Dat onderscheidt een Europese auteur van een collega uit Tahiti, Ghana of Peru.''

Natuurlijk zijn de verschillen binnen Europa zelf ook groot. Zo verschilt de status van een Tsjechische schrijver flink van die van zijn Poolse of Franse collega. In Frankrijk is iedereen het erover eens dat de Franse literatuur het meest hoogstaand is binnen het Europese literaire palet. ,,Toen mijn boek in het Frans verscheen, werd ik door mijn Franse uitgever, Laffont, gefeliciteerd. Je boek is er in het Frans. Nu besta je, zei hij tegen mij. Hij was bloedserieus, er was geen enkele ironie in zijn stem. Het Frans is voor hem gewoon dé taal voor schrijvers en intellectuelen.''

Zo'n houding is de Tsjechen vreemd. ,,Misschien komt dat doordat we al zo lang leven in de schaduw van onze grote broers. Wie zich in de buurt bevond van landen als Rusland en Duitsland moest zien te overleven. Daar ging het om.'' In Frankrijk staat de romancier op een piëdestal, in Polen geldt hij ,,als een god en als een mysterie''. Hongaren gaan prat op hun literatuur en ontlenen er hun identiteit aan. Sloveense auteurs krijgen beurzen van de regering. ,,Tsjechen zijn niet zo trots. Vroeger hadden we de literatuur van de underground en een soort traditie van anarchisme. Bij ons is een schrijver gewoon iemand die in de kroeg bier zit te drinken. Met wie heeft Havel géén bier zitten drinken? Onze schrijvers zijn bierdrinkers. Wij hebben, in tegenstelling tot onze buren, light bier. Daarom kunnen wij uren zitten praten en drinken zonder dronken te worden. Een Tsjechische schrijver bevindt zich onder het volk, hij drinkt en vertelt verhalen.''

Nu de tijd van het communisme voorbij is, moeten ook de Tsjechische schrijvers zich heroriënteren. Dat valt niet mee. ,,We hebben te maken met een Europese boekindustrie. Je moet succes hebben, je moet verkopen, je foto moet in alle kranten en op televisie, je moet reizen van de Oekraïne tot Amerika en voortdurend interviews geven. Soms denk ik aan Kafka. Hij schreef voor zichzelf. Boeken zijn geen prostituee's, ze willen er niet per se goed uitzien.''

Dat het aantal lezers flink is teruggelopen sinds de val van de Muur, vindt Topol begrijpelijk. Als hij nu zelf rond de twintig zou zijn, zou hij ook eerder een dvd van Saving Private Ryan kijken dan Victor Hugo lezen, vermoedt hij. Literatuur is altijd een zaak van de elite geweest en dat is het nog steeds. Maar toch. Ook studenten lezen Shakespeare, Rimbaud of Baudelaire niet meer. Topol reciteert Bateau ivre, uit zijn hoofd. ,,Een uittreksel via internet, meer is dat gedicht nu vaak niet meer. Vroeger, in de communistische tijd, had ik een vriend wiens vader vertaler was. Hij had mij drie exemplaren gegeven van Ulysses van James Joyce, een verboden boek. Eén van die drie exemplaren gaf ik aan mijn tandarts, bij wijze van steekpenning. Een boek was een schat. Kun je je dat nog voorstellen?''

Boekindustrie

Topol heeft duidelijk niet veel op met de Europese boekindustrie, die het afgelopen decennium ook in de nieuwe Europese landen is ontstaan. Hij draait nu zo'n tien jaar mee, heeft veel gereisd, kent de boekenbeurzen van Frankfurt, Leipzig en Londen en weet hoe het spel werkt. ,,Iedereen werkt met vriendjes, ieder heeft zijn eigen netwerk. Na drie dagen op zo'n beurs, waar je wordt overspoeld met journalisten en literaire agenten, word je geheid dronken. Je praat alleen nog in verkoopcijfers. Verschrikkelijk, dit is geen cultuur meer, denk je dan, dit is massaproductie. Maar toch zit je de volgende ochtend weer braaf in de stand van je uitgever, klaar om je rol te spelen.''

,,Wat dat met schrijvers doet? Ik voel me een bastaard. Ik zit in de val. Ik speel de rol van een schrijver uit Oost-Europa. Om te schrijven moet ik me terugtrekken op het platteland, ergens rustig zitten, in een klein houten huisje.'' Kerk, café, kerkhof, koude, eenzaamheid – dat is wat Topol echt interesseert, dat is zijn basis, schrijft hij in een in het Duits vertaald essay dat hij mij ter hand stelt. ,,Maar als ik dat doe, als ik me werkelijk terugtrek op dat fameuze arme Oost-Europese platteland, dan ga ik kitsch produceren, Oost-Europese kitsch.''

Topol worstelt met dat bastaardschap. Enerzijds voelt hij zich wel degelijk Oost-Europees, ook al heeft die benaming in Praag geen werkelijke betekenis. In Polen of in Oekraïne is hij gewoon een schrijver, daar is zijn geboorteland van geen belang. Maar komt hij in West-Europa, dan is hij ineens ,,die talentvolle nieuwe stem uit Oost-Europa''. Opvallend genoeg gebeurt hetzelfde, maar dan spiegelbeeldig, bij schrijversontmoetingen waarbij naast Tsjechen en Polen ook Bulgaren of Roemenen aanwezig zijn. ,,Zodra ik met een Poolse collega zit te praten, levert de Bulgaar jaloers commentaar. Ons wordt dan verweten dat we aan politiek doen, dat we ons clubje organiseren, dat we ons Milosz, Havel en Kafka toeëigenen. Onzin natuurlijk.'' In een dergelijk gezelschap wordt Topol ineens aan de kant van de West-Europese literatuur ingedeeld. ,,Het is als die oude joodse mop: steeds als je vergeet dat je een jood bent, is er wel iemand die je eraan herinnert.''

Uiteindelijk is hij in eerste instantie een schrijver uit Praag, zijn Hongaarse voorouders ten spijt. ,,Ik ben geen Oost- maar ook geen West-Europese schrijver. Ik ben een Europese auteur, misschien wel de enige! Denkt u nu werkelijk dat er één Britse auteur te vinden is, die zich Europees noemt? Praag, dat is pas Europees.''

`Nachtwerk', uitg. Ambo, vert. Edgar de Bruin. Topols eerste roman (1994) over de Fluwelen Revolutie van 1989, is verkrijgbaar in Engelse vertaling: `City silver city', uitg. Cattbird Press.

`Een europese schrijver weet van catastrofes, van verschrikkingen'

`Men versleet me voor gek,

ik was het monster uit Praag'