Het niet redelijke ik is heel blij

Eerst klagen. `Geen enkele auteur is in staat zijn drukproeven feilloos te corrigeren. Maar goed, ik weet dat mijn uitgever mij geen goede corrector kan verschaffen, ik sloof mij uit, ik maak ervan wat ervan te maken valt. En dan wordt het achter mijn rug nog gauw even verpest.'

Aldus W.F. Hermans in een brief uit 1957 aan zijn uitgever, nadat hij de auteursexemplaren van zijn bundel Drie melodrama's onder ogen had gekregen. Misschien dat iemand De Bezige Bij, de uitgever van Hermans' Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar. Brieven aan Geert van Oorschot, nog een kopietje van die brief stuurt. Want vooral buiten de hoofdtekst zijn fouten blijven staan. Zo wordt in de flaptekst een `guerilla' gevoerd (in plaats van `guerrilla') en is in een illustratiebijschrift sprake van `Santiago de Compostella' (en niet `Compostela'). In een van de aantekeningen staat `et' in plaats van `het'. Een extra nadeel van dergelijke slordigheden is dat je je bij curiositeiten als `iuridisch' en in één brief variërende naamsspellingen (Tsjechof, Tsechof) afvraagt of die het werk zijn van Hermans of van een zetduiveltje.

De totstandkoming van Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar is toch al een vervelende geschiedenis. Bij de publicatie van Hierbij de hele God in proef, de met meer zorg afgewerkte brievenuitgave van Geert van Oorschot (1909-1987) aan W.F. Hermans (1921-1995), een jaar geleden, was opname van Hermans' brieven `niet mogelijk'. Nop Maas, die beide brievenboeken bezorgde, moest de teksten van Hermans parafraseren. In het nieuwe boek parafraseert hij de antwoorden van Van Oorschot bij de brieven van Hermans. Zulk dubbel werk is goed voor de economie, maar voor de lezer (twee keer betalen, twee boeken naast elkaar op tafel) is het alleen maar vervelend.

Sloddervos

Dan de hoofdzaak. De brieven van W.F. Hermans aan Geert van Oorschot zijn een feest om te lezen. Dat zijn ze door de wijze waarop Hermans zich boos kan maken, bijvoorbeeld wanneer hij kwaad in de huid van Van Oorschot kruipt: `[...] Ook ben ik niet van plan voorschotten te geven, daar praat ik niet eens over, integendeel, het geld dat jij eerlijk hebt verdiend, houd ik, zolang ik juridisch maar kan, in mijn eigen zak. En ten slotte: jij, auteur, mag van jouw kant het woord ,,juridisch'' niet in de mond nemen. Jij mag alleen over vriendschap praten. Je moet steeds geweldig veel vriendschap voor mij voelen, anders wil ik je niet uitgeven!'

De moeizame verhouding tussen vriendschap en zakelijkheid (het `onbetaalbaar' uit de titel bedoelde Hermans letterlijk) dringt zich steeds weer op de voorgrond in de correspondentie. Hermans heeft grote moeite met het soort persoonlijke uitgeefrelatie waarbij Van Oorschot zich zo op zijn gemak voelt. Ook al omdat de uitgever zich een sloddervos betoont die spullen zoekmaakt, afspraken vergeet en optelfouten maakt. Dus eist Hermans steeds schriftelijke bevestigingen van overeenkomsten en stuurt hij een accountant langs om de boeken te controleren. Maar op andere momenten is hij juist weer op zoek naar onvoorwaardelijke trouw: hij wordt kwaad als er in het door Van Oorschot uitgegeven Libertinage `schunnige stukjes' over hem worden geschreven, betoont zich (ondanks een `ik neem het je niet kwalijk') gekwetst als Van Oorschot weigert het tweede deel van Mandarijnen op zwavelzuur uit te geven. Hoe het aanvankelijke verbond tussen schrijver en uitgever kon uitlopen op een juridische loopgravenoorlog (waarin Van Oorschot aan het langste eind trok) is in Hierbij de hele God in proef al uitputtend beschreven.

Uit Hermans' kant van de correspondentie wordt nu wel duidelijk hoe bedreven de meester was in het sarren en jennen. Bijvoorbeeld in de wijze waarop hij pagina's voltikt over een foto die Van Oorschot te leen had, maar niet teruggaf. En hij speelt soms dubbel spel, zoals blijkt uit de brieven die hij over Van Oorschot aan anderen stuurt.

Paranoia

Maar de échte hoogtepunten van de bundel zijn de brieven waarin Hermans het over zichzelf en zijn werk heeft. Daarbij zijn vooral de brieven rondom de verschijning van Paranoia in 1953 prachtig. Die laten zien hoe Hermans na een moedeloze periode weer begeesterd raakt door zijn eigen boek. Bij de inlevering van de kopij (en na ruzie over de royalty's en een poging een andere uitgever ervoor te interesseren) luidt Hermans' eigen oordeel nog `doorwrocht, maar niet bijzonder sensationeel', wat tegen het einde van dezelfde brief vergezeld gaat van het voorgevoel dat het `een mooi boekje wordt, een soort afscheidsboekje misschien'. Kort voor de verschijning schrijft hij: `Het wordt de sensatie van het jaar, dat zul je zien.' Nadat hij de auteursexemplaren heeft ontvangen: `Ze zijn bijna te mooi om weg te geven.' Waarna hij doorgaat over de moeite die het hem kost om te werken: `Geen tijd. Ook te weinig animo. Vroeger was ik fanatieker. Maar nu denk ik: wat is het resultaat? Op z'n hoogst word je hier een Vestdijk.' En er volgen ook nog gedachten over zijn naderend ouderschap, met een zelfrelativering die Hermans' beste brieven kenmerkt: `Het is vreemd dat de meeste mensen gewetensbezwaren hebben om een onschuldige uit de wereld te helpen, maar niet om hem erin te zetten, wat, alles goedbeschouwd, even erg is. Dit probleem houdt mij soms bezig, maar niet op pathologische wijze, maak je niet ongerust. Het niet redelijke deel van mijn ik is er erg mee in z'n nopjes.'

Het blijkt de opmaat voor een serie mooie brieven – en voor droevige, want het kind wordt dood geboren. Hermans komt tot sombere bespiegelingen over de vergeefsheid van het schrijven en zijn reputatie als een `deiningman', vooral sinds het proces dat hem werd aangedaan wegens belediging van het katholieke volksdeel in Ik heb altijd gelijk: `De mensheid trekt aan mij voorbij als een modderstroom. De meeste mensen zie ik niet eens meer. Als ik mij ooit over het katholicisme heb geuit, dan heb ik dat nooit gedaan zonder bijgedachten aan een propagandastunt voor mij persoonlijk.'

Die periode van relatieve harmonie eindigt wanneer Van Oorschot het tweede deel van Mandarijnen op zwavelzuur weigert, waarna Hermans' hierboven al geciteerde woede over het slordige zetsel van Drie melodrama's (`God weet wat voor onzin er nog meer in staat') de verhouding definitief verziekt. Alleen het reeds getekende contract voor De donkere kamer van Damokles houdt de verhouding nog in stand. Na verschijning van die bestseller in 1958 wordt de breuk definitief.

Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar is dus een weliswaar slordig, maar ook mooi en belangrijk boek. Het completeert het beeld van de verhouding tussen W.F. Hermans en zijn uitgever. Van de boze brieven van Hermans kon iedereen zich wel een voorstelling maken. De combinatie met de blije en bedrukte brieven die erin staan (de kortste heeft als tekst `Schrijfmachine stuk, schrijver ook.') maakt dat je een indruk krijgt hoe verschillende karaktertrekken van Hermans op elkaar moeten hebben ingewerkt: van zelfingenomenheid tot zelfkritiek, van provocatielust tot landerigheid, van creativiteit tot kortzichtigheid. Dat doet verlangen naar méér brieven van Hermans, een schone taak voor het Willem Frederik Hermans Instituut, waarvan Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar, vijf jaar na de oprichting, de eerste belangrijke uitgave is.

W.F. Hermans: Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar. Brieven aan Geert van Oorschot. De Bezige Bij, 328 blz. €29,50