Een trombone kan meer dan je denkt

Jörgen van Rijen (29) is solotrombonist van het Concertgebouworkest. Volgende week ontvangt hij de Nederlandse Muziekprijs. ,,Trombonisten moeten het vaak doen met de b-componisten.''

Toen Jörgen van Rijen (Dordrecht, 1975) werd benoemd tot solotrombonist van het Koninklijk Concertgebouworkest, was hij met zijn 22 jaar het jongste orkestlid.

Nu, zeven jaar later, is Van Rijen als jongste Concertgebouworkestmusicus al verschillende malen gepasseerd, meest recentelijk door de nieuwe soloklarinettist Arno Stoffelsma (22) en de tweede trombonist Bart Claessens (22), zijn eigen leerling. Maar aan Van Rijens onalledaagse meesterschap op de trombone doet dat niets af. Volgende week soleert hij bij zijn eigen orkest in SOLO van Berio. Na afloop van het concert reikt staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur) hem de Nederlandse Muziekprijs uit – de hoogste Nederlandse onderscheiding op het gebied van de klassieke muziek.

De prijs vormt de kroon op een tweejarig traject van cursussen en lessen. Dat `nominatietraject' doorlopen meer Nederlandse topmusici, maar de Muziekprijs krijgen zij lang niet allemaal. Voordat violiste Janine Jansen de prijs vorig jaar ontving, werd vier jaar geen kandidaat goed genoeg bevonden. Van Rijen is dat wel. De jury roemt zijn techniek en de rijpheid van zijn interpretaties.

Terwijl veel koperblazers gebukt gaan onder een gezelligheidsimago, bezit Van Rijen zoveel perfectionisme en vakmanschap dat hij dit stigma lachend als bijzaak accepteert. ,,Koperblazers zíjn ook de gezelligheidsmensen in het orkest – dat zijn we zo gewend. Wie viool studeert, kan pas na jaren in zijn eentje studeren een keer in een orkest terecht. Wij zijn bijna allemaal opgeleid in de fanfare, de harmonie of een brassband, waar je vanaf dag één samenspeelt. Muziek en het verenigingsleven daaromheen zijn bijna net zo belangrijk. Dat is een voor Nederland unieke traditie.''

Zo'n zes uur brengt Van Rijen dagelijks met zijn trombone door. Het instandhouden van een goede embouchure en ademhaling vereist dat. Wie zijn instrument een week in de koffer laat, moet dat bekopen met een sportieve inhaalslag. Bovendien is de trombone in toonvorming vergelijkbaar met een strijkinstrument. De speler maakt al schuivend zelf zijn toon; zuiver spel vereist dus veel oefening.

Toch wees Van Rijen als vierjarige aan de hand van zijn vader, voorzitter van het harmonieorkest in Dordrecht, trefzeker aan dat hij trombone wilde leren spelen. ,,Ik vermoed dat ik vooral de schuif indrukwekkend vond'', zegt hij. ,,Ik hield van rare, moeilijke dingen. Klarinet, zoals mijn vader speelt, vond ik veel te gewoon.''

Van Rijen begon als leerling van Bas Dekker, solotrombonist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Toen hij vijftien was en binnen de harmonie doorgegroeid van het beginnersorkestje naar `de senioren', mocht hij voorspelen bij George Wiegel aan het Rotterdams Conservatorium. ,,Toen werd ik echt fanatiek.''

Conservatorium

Aanvankelijk combineerde Van Rijen zijn lessen bij Wiegel aan het conservatorium met het gymnasium in Dordrecht, later met een jaar natuurkunde aan de Technische Universiteit Delft. ,,Maar de trein uit Dordrecht naar Delft stopt eerst in Rotterdam en ik bleef steeds vaker `onderweg' op het conservatorium hangen. Mensen vragen soms hoe je het opbrengt uren per dag op dat ene instrument te oefenen. Maar als je wordt omringd door mensen die prachtig spelen, wil je dat zelf ook kunnen. Dan wordt anderhalf uur studeren al snel een hele dag.''

Donderdag verschijnt op het Nederlandse label Channel Classics Van Rijens eerste solo-cd. De gekozen stukken tonen de trombone in alle denkbare gedaanten. Slank, mengend en melodieus in barokmuziek van Biber, virtuoos en verrassend in een nieuw solostuk van componist Martijn Padding. Maar in welke tijd of stijl hij zich ook beweegt, Van Rijen slaagt er steeds in zijn trombone een verleidelijke en vloeibare klank te geven, waarin technische grenzen niet lijken te bestaan.

Naast zijn baan als solotrombonist van het Concertgebouworkest geeft Van Rijen nu zelf les aan het Rotterdams Conservatorium, en speelt hij zoveel mogelijk solo. ,,Als orkesttrombonist speel je in verhouding weinig noten'', legt hij uit. ,,In een drie uur durende repetitie, speel ik soms maar een kwartier mee. Dat is onvoldoende om goed in vorm te blijven voor de grote solo's die ook voorkomen.''

Daarom werkt Van Rijen regelmatig met de Ebony Band en heeft hij met een groep oud-studiegenoten het Nieuw Trombone Collectief opgericht. ,,Vroeger speelden we dagelijks samen. Als concurrenten, maar ook als vrienden. Dat was zo uniek dat we het zonde vonden na het conservatorium te stoppen. We musiceren nu in allerlei bezettingen, geven masterclasses en verlenen compositieopdrachten. Met een trombone kan veel meer dan menigeen weet. Dat willen we laten horen.''

Dat het trombonecollectief ook componisten aan het werk zet, is geen overbodige luxe. Er is veel oude muziek voor het instrument gecomponeerd, maar klassiek en romantisch repertoire op hoog niveau bestaat nauwelijks. Dat blijkt ook uit de repertoirekeuze van Van Rijens solo-cd, waarop twintigste-eeuwse muziek domineert.

,,Wij trombonisten moeten het vaak doen met de b-componisten'', zegt hij. ,,Uit de achttiende eeuw hebben we een concert van Albrechtsberger, de leraar van Beethoven, en één van Mozart, Leopold Mozart. Zo is het steeds. In het Requiem van W.A. Mozart hoor je dat ook hij prima wist wat er allemaal mogelijk was met een trombone, maar die kennis heeft hem nooit tot een soloconcert verleid.''

Eigentijdse componisten slaan het instrument hoger aan. Alleen al voor de beroemde trombone-virtuoos Christian Lindberg (1958) werden tachtig concerten gecomponeerd. In het kader van zijn voorbereidingen op de Nederlandse Muziekprijs zocht Van Rijen de Zweed op, en woonde zelfs een tijd bij hem in huis. ,, We hebben al die stukken samen doorgenomen. Ik wilde zien hoe hij werkte, de vinger krijgen achter zijn enorme succes'', vertelt hij.

,,Veel van de stukken die voor Lindberg zijn geschreven, maken gebruik van zijn ongewone kwaliteiten als performer. Het leukste en extreemste voorbeeld is het Motorbike Concerto van Sandström. Daarin kom je op in een motorpak en bootst met de trombone het ronkend geluid van een startende motor na. Dat concert zou ik erg graag zelf eens spelen.''

Van Rijen waardeert de knoestige bravoure van Lindberg, maar spiegelt zich puur muzikaal meer aan de Fransman Michel Bequet, bij wie hij na zijn conservatoriumtijd vier maanden studeerde. Aan Bequets subtiele en meer vocale speelstijl doet Van Rijens eigen, eveneens tamelijk `Franse' en slanke geluid ook denken.

Adembeheersing

Toch verdiepte hij zich óók in de scherp met de Franse stijl contrasterende traditie van de Amerikaanse trombonisten. ,,Hoe meer je weet, hoe beter'', vindt hij. ,,De koperblazers van het Chicago Symphony Orchestra zijn legendarisch. Ik wilde met eigen oren en ogen achterhalen waarom, en was vooral onder de indruk van hun kennis op het gebied van adembeheersing en klank. Alles is daar gericht op een groot, ver dragend geluid. Dat moet ook wel, want de Amerikaanse concertzalen zijn doorgaans enorm. In het Concertgebouw heb je meer aan een heldere, directe speelstijl. De akoestiek van de Grote Zaal maakt het geluid vanzelf rond.''

Voor Van Rijen zit het leertraject voor de Nederlandse Muziekprijs er nu op. Hij kijkt terug op een afwisselende periode, met de lessen van cellist Anner Bijlsma als opmerkelijkst onderdeel. ,,Soms speel je iets op een bepaalde manier, omdat dat vanuit het instrument beredeneerd logisch is. Geen trombonist zal daar iets van zeggen, ook al hoeft die speelwijze muzikaal gezien absoluut niet de beste te zijn. Bijlsma wees me daar op. Uiteindelijk liet hij me zelfs de Cellosuites van Bach spelen, die hij eigenhandig voor trombone bewerkte.''

In mei volgend jaar blikt Van Rijen nog even terug op zijn muziekprijstijd. Met de koperblazers van het Concertgebouworkest reist hij opnieuw naar Chicago voor concerten met Amerikaanse collega's en masterclasses aan plaatselijke universiteiten. ,,In het orkest is er niet altijd tijd om veel over speelstijl te discussiëren. Op zo'n reis wel. Je wordt er als groep hechter van – sociaal en muzikaal. Dat is goed voor iedereen, en vooral voor het orkest.''

Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Ed Spanjaard m.m.v. Jörgen van Rijen. Programma met werken van Berio, Lutoslawski, De Raaff en Debussy. 16 en 17/12 Concertgebouw, Amsterdam. Res. 020 6718345.

Cd met werken van Tomasi, Biber, Dutilleux, Kurtág e.a., i.s.m. het Viotta Ensemble (Channel Classics, CCS SA 22305).

`In drie uur

speel ik soms maar

een kwartier mee'

`Wij zijn bijna allemaal opgeleid in de fanfare of een brassband'