Een lieveling takelt af

Wereldberoemd werd hij door zijn boeken. En als een amusante dandy ging Truman Capote door het leven. Uit zijn correspondentie komt nu een dwangmatige leugenaar naar voren, hunkerend naar succes.

Hoe lang kan een schrijver een wonderkind worden genoemd zonder dat het mal wordt? Aan Truman Capote kleefde het etiket tot na zijn veertigste. In 1948 verscheen zijn debuut Other Voices, Other Rooms, de ontwikkelingsroman over de 13-jarige Joel Knox, het homoseksuele prinsenkind uit het broeierige maar bekrompen en homofobe Diepe Zuiden. Met de korte roman vestigde Capote in één keer zijn naam: hier was een precieus schrijvende jongen opgestaan, die zichzelf wilde – en volgens Amerikaanse critici ook gerust mocht – meten met de Groten van voor de Tweede Wereldoorlog: F. Scott Fitzgerald, Sherwood Anderson, Theodore Dreiser.

Other Voices, Other Rooms werd ook beroemd om een andere reden. Op de achterflap prijkte een van de opmerkelijkste auteursportretten uit de geschiedenis van de Amerikaanse literatuur: de jonge schrijver had zich op een canapé genesteld en keek broeierig en fataal in de lens. Meer een amechtige faun of een piepjonge filmster dan een schrijver. Dankzij die foto kreeg Capote veel bijnamen. Onze schrijvende Peter Pan. Een nazaat van Lord Alfred Douglas, de muze van Oscar Wilde. Maar vooral: darlin' Truman, de bloedmooie zondagsjongen, het wonderkind.

De literaire darlin' vertrok niet lang na zijn debuut naar Europa en werd de troetelschrijver van de kring van de Amerikaanse high society die zich in die jaren vooral in Italië had gevestigd. Van de dames uit de beau monde tot de boegbeelden van de Amerikaanse literaire kritiek: Truman kon bij niemand iets verkeerd doen, ook niet bij verschijning in 1952 van zijn tweede boek, The Grass Harp. Royaal geprezen werd ook Breakfast at Tiffany's, het innemende verhaal over de even neurotische als charmante Holly Golightly, de praatzieke jongedame die zo graag in spannende artistieke kringen wil verblijven maar die eindig als gangsterliefje. Holly's langzame neergang wordt beschreven vanuit het perspectief van haar buurman in een appartementencomplex, een jonge,verlegen schrijver, vers uit de provincie in New York aangekomen. Voor Holly is de ikfiguur een passant en vage bekende, maar omgekeerd is de verteller in de ban van zijn flamboyante maar tragische buurvrouw. Breakfast at Tiffany's werd al direct bij verschijning geroemd als literair kleinood en werd verfilmd, met in de hoofdrol Audrey Hepburn.

Dat Holly Golightly als twee druppels water leek op Sally Bowles uit Goobye to Berlin van Christopher Isherwood en dat Capote ook voor de verhaallijn in Tiffany's wel erg veel had afgekeken van Isherwood, was iets waar alleen scherpslijpers over vielen. Zelfs bij verschijning in 1964 van wat wordt beschouwd als zijn meesterwerk, In Cold Blood, werd hij nog als wonderkind omschreven. Toen was hij al tweeënveertig.

In Cold Blood is het op feiten gebaseerde verhaal van het gezin Clutter uit het gehucht Holcomb in Kansas dat werd vermoord door twee insluipers die ten onrechte meenden dat er in het huis een enorme som geld te vinden was. Capote las een piepklein bericht in de New York Times over de moordpartij en had direct het idee dat hier een verhaal of een roman in zat. Capote reisde af naar Holcomb, hield zich daar maandenlang op, en had vervolgens jaren nodig om In Cold Blood te schrijven. Het werd een onmiddellijk succes. In Cold Blood wordt ook nu nog omschreven als de eerste faction novel uit de Amerikaanse literatuur, voorbeeldboek ook voor Tom Wolfe die destijds aan de wieg stond van het New Journalism.

Maar intussen was Truman Capote na In Cold Blood dan toch wonderkind af. De eeuwige faun veranderde in een vroeg-oude en cynische alcoholist die de schrijftafel voor steeds langere periode verruilde voor de barkruk in de hippe New-Yorkse nachtclub Studio 54. En als Capote daar niet feestte met mensen als Liza Minelli en Bianca Jagger, verscheen hij in talkshows om zijn collega's in de literatuur te beschimpen. Hoe minder er uit zijn handen kwam, hoe grimmiger hij andermans verdiensten kraakte. Medio jaren zeventig had hij vrijwel iedereen wel een keer beledigd. Saul Bellow was `een niks-schrijver', William Faulkner bezondigde zich aan `een slordige stijl', Bernard Malamud was `onleesbaar', en Joyce Carol Oates schreef zo slecht dat ze het verdiende `te worden onthoofd ten overstaan van een zo groot mogelijk publiek'.

Al dat gescheld kon niet verbloemen dat er intussen één schrijver minder en minder uit zijn pen wist te krijgen: de schamperaar zelf. In zijn meesterlijke biografie uit 1988 Truman Capote wijdde Gerard Clarke nogal wat bladzijden aan Capote's langzame aftakeling, ook omdat die aftakeling een bij uitstek Amerikaanse tragedie belichaamt: de verwurging van het schrijverschap door de combinatie van plotselinge roem en alcohol. Vergelijk ook de levensloop van F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en Jack Kerouac.

Gerard Clarke heeft nu ook Too Brief a Treat. The Letters of Truman Capote bezorgd. En net als in de biografie deelt Clarke Capote's schrijversleven op in drie perioden. De eerste periode bestaat uit Capote's zonnige jaren van great expectations: de ontluiking en vroege erkenning van zijn talent, toen hij piepjong begon als loopjongen bij The New Yorker. Na zijn debuut werd hij bij hetzelfde tijdschrift een freelance schrijver die redacteuren en lezers verblufte met verhalen die niet van een beginner maar van een volleerd vakman afkomstig leken te zijn. Het zijn Capote's meest gelukkige jaren in Europa. Capote's brieven uit deze periode zijn opgewekt, euforisch soms, maar vooral verbazingwekkend oppervlakkig, op het inwisselbare af. Het aardigst zijn de brieven aan zijn goede vriend de fotograaf Cecil Beaton met wie hij op goedgemutste toon vileine roddels uitwisselde over inmiddels al lang vergeten geraakte tijdgenoten.

Voor Gerard Clarke begint Capote's tweede periode op de dag dat The New York Times op pagina negendertig in drie regels melding maakte van de eerdergenoemde moord op het gezin Clutter, en dat Capote onmiddellijk naar Kansas afreisde. In de Capote-biografie memoreerde Gerard Clarke al de spectaculaire entree van de vernewyorkte dandy Capote in de dorpsgemeenschap in de Midwest. Het duurde enige tijd voordat hij het vertrouwen had gewonnen van de plaatselijke bevolking van wie Capote alle bijzonderheden en achtergronden van het vermoorde gezin wilde weten. De politie-officier die het onderzoek naar de moorden leidde, was aanvankelijk niet toeschietelijk. Praten met Capote vond deze ambtenaar, Alwin Dewey, zonde van zijn tijd. Maar Capote wist ook zíjn vertrouwen te winnen, en er ontstond een opmerkelijke vriendschap tussen de prozaïsch ingestelde politie-officier en de homoseksuele beau garçon uit Manhattan.

Nu had Capote er zijn leven lang een handje van om relaties aan te knopen met getrouwde mannen. Maar de vriendschap met deze politie-officier werd innig en bleef tegelijk in het nette, zo blijkt eens te meer uit de brieven aan Dewey en zijn gezin. Capote laat er zijn masker van arglistige in vileine society-schrijver in vallen. In de brieven aan Dewey slaat hij een toon aan van een eeuwige adolescent op zoek naar een surrogaat-vader. De stoere, onvermurwbare politieman Dewey uit Kansas blijkt voor die rol geknipt. Nog jaren nadat de twee daders – in Las Vegas – door Dewey en zijn korps waren opgepakt en de zaak voor het politie-korps achter de rug was, kon Capote alles aan Dewey vragen, van een herhaalde inzage in de dagboeken van een van de vermoorde kinderen tot en met het in mijlen uitrekenen van routes die de verdachten na de moord hebben afgelegd. Capote onderhield op een gegeven moment ook een correspondentie met de echtgenote van Dewey. En toen éen van de puberzonen van het echtpaar literaire aspiraties bleek te bezitten, stuurde Capote korte leesrapporten over diens korte verhalen.

Capote was in zijn brieven niet geheimzinnig over het belang dat hij had bij een goede verstandhouding met Dewey. In 1962 smeekte hij in een brief aan de agent of hij de executie van de twee moordenaars wilde bijwonen, want: `Ik ben van plan het hele verhaal van In Cold Blood vanuit jouw beleving te schrijven'. Later liet Capote dit idee voor de politie-officier als ikverteller varen en kreeg In Cold Blood het perspectief van de onzichtbare maar alwetende verteller, vrij naar het credo van Flaubert, volgens wie de schrijver alomtegenwoordig en afwezig tegelijk moest zijn, `zoals God in de schepping'.

De brieven aan Dewey geven een goede indruk van de moeizame totstandkoming van In Cold Blood. Uiteindelijk voltooide Capote het manuscript in februari 1965, minus het slothoofdstuk, omdat de rechtszaken tegen de twee moordenaars zich nog steeds voortsleepten. Telkens weer werd de datum van executie uitgesteld, en zolang in de zaak geen definitieve uitspraak was gedaan, was Capote ervan overtuigd dat het In Cold Blood aan een geloofwaardig slot ontbrak. Toen hij uiteindelijk te horen kreeg dat het vonnis voltrokken zou worden, viel er een last van Capote's schouders. Pregnant in Clarke's Capote is de passage waarin de schrijver jubelend aan de telefoon zit en zijn vrienden inlicht over de op handen zijnde executie: `I'm besides myself with joy!'

Niet iedereen was even verguld met Capote's annexatie van het verhaal van de twee ter dood veroordeelden. De Britse criticus Kenneth Tynan schreef dat de auteur zijn torenhoge voorschot had geïncasseerd, terwijl de veroordeelden aan de galg bungelden. Navrant is dat Capote zelf in In Cold Blood meldt dat een relatief klein bedrag van 50.000 dollar de twee in staat zou hebben gesteld verder te procederen. Maar dat bedrag konden ze niet opbrengen. Volgens Tynan had Capote dat van zijn enorme voorschot kunnen voorschieten. Maar Capote had er misschien wel een tweede belang bij dat het doodvonnis zou worden voltrokken: het scheelde hem allerlei rechtszaken die de twee vrijwel zeker tegen hem zouden hebben aangespannen na publicatie van In Cold Blood. Zo oogstte Capote behalve bewondering voor de grootse literaire prestatie, ook wantrouwen over zijn motieven en moraal. Hij bleek, aldus zijn `vijanden', een schrijver die bereid was letterlijk over lijken te gaan.

In een handvol brieven in Too Brief A Treat blijkt dat Truman Capote zich dit verwijt hevig heeft aangetrokken zonder er een ontzenuwend antwoord op te kunnen formuleren, anders dat In Cold Blood hem behalve roem en rijkdom ook angsten en een creatieve impasse bezorgde.

Zijn oeuvre overziend is het waar: na In Cold Blood werd het nooit meer wat het was geweest. De executie zelf, die Capote inderdaad bijwoonde, droeg naar eigen zeggen bij aan dat omslagpunt. Voor zijn boek had Capote in de gevangenis veel met de daders Dick Hickock en Perry Smith gepraat vandaar dat In Cold Blood ook een indringend inkijkje biedt in de psyche van de moordenaars. Hickock was de leider en Smith de wat bleue meeloper, die er niettemin tijdens de overval niet voor was teruggedeinsd ook de kinderen van het gezin af te slachten.

`Op het moment van hun dood stierf er ook iets in mij,' schijnt Capote over de executie te hebben gezegd, een uitspraak die nog wel eens honend werd geciteerd als beschamend voorbeeld van hypocrisie en vals sentiment. Maar wie de brieven in Too Brief A Treat in chronologische volgorde leest, moet erkennen dat na 1966 de correspondentie van Capote iets onrustbarends onverschilligs krijgt, met hooguit een opflakkering van energie als hij zich uitlaat over efemere kwesties als andermans roem, roddels uit Manhattan of miskenning van zijn latere nonfictie-werk. Wat voor Capote pleit is dat hij de correspondentie met het gezin Dewey enige jaren wist vol te houden, ook nu hij er geen direct belang meer bij had. Zó vals en ijzig was Capote dus ook weer niet.

Na publicatie van In Cold Blood begint Capote's derde en laatste periode, waarin hij verschraalde tot een ridder van de pathetische figuur. In aantal en lengte nemen de brieven dramatisch af. Capote gaf steeds meer de voorkeur aan telefoneren boven corresponderen. De bewaard gebleven brieven uit die laatste periode stemmen niet vrolijk. Hier en daar meldde Capote dat hij al flink op streek was met wat zijn chef d'oeuvre had moeten worden: de roman Answered Prayers. Capote beschouwde dit boek als het Amerikaanse antwoord op A la recherche du temps perdu. Capote's vrienden betwijfelden of Truman ooit een blik in Prousts romancyclus had geworpen. Intussen stelde Capote publicatie van Answered Prayers keer op keer uit, tot hij in Esquire een aantal voorpublicaties prijsgaf. Die voorpublicaties hadden voor Capote verwoestende gevolgen. In één klap was het gedaan met zijn reputatie. Doordat hij zichzelf voortdurend had vergeleken met Proust, waren de verwachtingen zó hooggespannen geweest, dat ook de teleurstelling werd opgeblazen tot reusachtige proporties. Want in de verste verte viel er geen echo van Proust te bekennen. Capote serveerde geen indringend psychogram van een stadse elite, maar hooguit wat doordeweekse roddel over publieke figuren goed opgeschreven, dat wel, maar meer Sex and the City dan A la Recherche.

Voor Capote's privé-leven waren de voorpublicaties al even desastreus. De Amerikaanse aristocratie deed hem collectief in de ban. Men beschouwde het als hoogverraad van een amusante dandy die men al die jaren om zijn gezelligheid had gedoogd. Nu zijn nauwelijks verhulde fictie niet gezellig bleek, kon de dandy voortaan thuisblijven. In Too Brief A Treat is iets terug te vinden van Capote's ontzetting over deze excommunicatie. In één klap waardeerde niemand hem meer om de bezigheden waar hij hen voordien zo mee had vermaakt: liegen, snoeven, roddelen en overdrijven.

Ook in zijn brieven loog Capote er op los. Naarmate hij ouder werd, klonken die leugens steeds schriller. Zo meldde hij losjes aan diverse correspondenten dat hij een aantal nieuwe voorpublicaties uit Answered Prayers had klaarliggen, per hoofdstuk 40.000 woorden of langer. Ieder hoofdstuk had dus de lengte van een korte roman. Na zijn dood bleek dat hij helemaal niets in zijn lades had liggen. Answered Prayers bleek, op de publicaties in Esquire na, een spookboek.

Too Brief A Treat is ook in groter verband een brievenbundel waarin de leugen soms komisch soms griezelig domineert. Van jongs af aan verzon Capote honderden fabeltjes over anderen en bij voorkeur complete luchtkastelen over zichzelf. Too Brief A Treat maakt wel duidelijk dat het liegen dwangmatig was, enigszins vergelijkbaar met de aan het licht gekomen mythomanieën van Boudewijn Büch. Veelzeggend is de brief aan moordenaar Perry Smith. Capote liet hierin een kleine charme-offensief op de gedetineerde Perry los, van wie hij op dat moment nog veel informatie nodig had voor In Cold Blood. Capote schreef Perry dat hij het zo naar vond dat hij, Perry, helemaal niets van hem afwist. Daarom stelde Capote een korte levensbeschrijving op. De korte brief staat vol met verzinseltjes. Zo is Capote's vader niet vijf maar twee keer hertrouwd. En zijn moeder pleegde geen zelfmoord met voorbedachten rade, maar stierf zij aan een overdosis pillen een gradueel maar essentieel verschil. Toch presenteerde Capote deze geraffineerde leugentjes aan de delinquent, in de hoop dat hij met een surplus aan beproevingen en familie-ellende bij hem in het gevlei kon komen.

In allerlei andere brieven maakte Capote melding van ontmoetingen met de rijken en machtigen onder ons en telkens weer staan er dan vier of vijf namen van mensen bij die hij nooit heeft ontmoet. De in de voetnoten weersproken leugens zijn aanvankelijk nogal komisch, maar gaandeweg vergaat het grinniken je, als de tragische implicaties van het dwangmatig liegen aan het licht komen. Waarom had hij het nodig om in zijn jonge jaren rond te bazuinen dat hij een affaire had gehad met de apert heteroseksuele Albert Camus? Hetzelfde beweerde Capote over André Gide. Collega en aartsrivaal Gore Vidal vroeg er Gide eens naar. Vidal toonde Gide een foto van Capote. Gide had de jonge Amerikaanse god nooit ontmoet, maar had wel tien of twaalf identieke foto's van hem toegestuurd gekregen.

Gegeven de overdaad aan leugens en bedrog voltrok de publicatie van een van Capote's laatste juweeltjes geheel in stijl. `Handcarved Coffin's' is de blikvanger in de mooie nonfictiebundel Music For Chameleons, uit 1980. Capote presenteerde hier het nonfictie-verslag van een aantal bloedige moorden die in New York waren gepleegd. Het is een fenomenaal geschreven kleinood, dat wel, maar het bleek alleen geen nonfictie. Capote, hunkerend naar een nieuw succes à la In Cold Blood, had alles uit zijn duim gezogen. Too Brief a Treat draagt ongetwijfeld bij aan de mythe over Capote als schilderachtige literaire figuur. Die buitenissigheden en karakteristieken van die figuur dreigen zo langzamerhand fameuzer te worden – op het karikaturale af – dan zijn feitelijke literaire verdiensten. Too Brief A Treat toont heel de kleine mens Capote. Hopelijk raakt de grote schrijver die van Breakfast At Tiffanys, Music For Chameleons en In Cold Blood er postuum niet te veel door aangetast.

Gerard Clarke (ed.): Truman Capote: Too brief a treat. The Letters of Truman Capote. Random House. 487 blz. €36,50