Drankmisère

De rampen en plagen die de afgelopen jaren werden beschreven op de Achterpagina zijn gebundeld. Om dat te vieren een laatste plaag: alcohol- misbruik in de 19de eeuw.

Rampen en plagen zijn van alle tijden en fenomenen waaraan onze verre voorouders veelal weinig konden doen: het onheil trof hen ongevraagd en vaak zonder onderscheid des persoons. Soms was de tegenslag een gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden of een tragische speling van het lot; in andere gevallen waren de rampen veroorzaakt door nog niet beheersbare grillen van de natuur. In negentiende-eeuwse geschriften werd met grote regelmaat één ramp in geuren en kleuren beschreven waarvoor `de mens' wél verantwoordelijk werd gehouden: grote maatschappelijke problemen als gevolg van een extreem groot alcoholmisbruik.

Het gebruik van alcohol was in Nederland al sinds de spreekwoordelijke komst van de Batavieren bekend en ingeburgerd. Waarom werd het drinken van alcohol dan vooral in de negentiende eeuw een probleem, of, neutraler gesteld, als een probleem ervaren? Onderzoek heeft uitgewezen dat de eerste massale vormen van `probleemdrinken' aan het eind van de achttiende eeuw ontstonden en dat deze het gevolg waren van een verschuiving in de samenstelling van de dagelijkse drank.

Tot ver in de achttiende eeuw werd, in plaats van het vaak slechte drinkwater, overwegend bier gedronken. Aan het begin van deze eeuw was bier nog de algemene drank bij elke maaltijd. Het goedkope gangbare bier was echter bederfelijke waar. Tenzij het transport over water kon plaatsvinden, was het bovendien een lastig te vervoeren product. Vandaar dat bier dicht in de buurt van de consument gebrouwen moest worden.

Bierbrouwerijen waren er dan ook in overvloed. Behalve in Holland, waar het brouwen aan de steden was voorbehouden, kon men tot in de achttiende eeuw in vrijwel iedere stad en dorp brouwketels aantreffen. De brouwerij was dan ook een belangrijke lokale nijverheid. In Overijssel stonden aan het begin van de achttiende eeuw in ieder kerkdorp wel drie à vier brouwketels. Maar in de loop van deze eeuw zette zich een achteruitgang in. Zo daalde het aantal bierbrouwerijen in Friesland van ongeveer honderd in 1750 naar hooguit dertig in 1800.

Naarmate het bier aan populariteit inboette, werd uitgezien naar alternatieven. Voor het overgrote deel van de bevol-king was wijn te duur. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw zijn de inlands gestookte brandewijn en jenever meer en meer in die behoefte gaan voorzien. Omgerekend naar de hoeveelheid pure alcohol was de drinkebroer met gedistilleerd veel goedkoper uit dan met bier.

In de loop van de negentiende eeuw werd jenever de populairste alcoholhoudende drank. Omgerekend naar pure alcohol werd gedurende deze gehele eeuw jaarlijks 6 à 7 liter per hoofd van de bevolking geconsumeerd. Het aandeel hierin van het gedistilleerd was meer dan 75 procent. Jenever werd te pas en te onpas gedronken, ook door vrouwen. Een aanzienlijk deel van het gezinsbudget werd omgezet in drank. Het drankgebruik was zo geaccepteerd dat gevangenen nog in de eerste decennia van de vorige eeuw zonder problemen in de kantine van de gevangenis – toen zeker niet het toonbeeld van een luxueus `hotel' – jenever, brandewijn en bier konden verkrijgen.

Toen er stemmen opgingen om maatregelen te nemen om een eind te maken aan deze sociale misstand, was de overheid allerminst enthousiast. Een ingestelde commissie oordeelde dat de belangen van de drankindustrie op zichzelf al voldoende reden waren om van maatregelen af te zien, nog afgezien van de belangen van degenen die op een indirecte wijze – als toeleverancier of wederverkoper – bij deze industrie betrokken zijn. En dat waren er velen: in 1843 waren er, op een bevolking van 2.930.000 zielen, 34.000 tapperijen en kroegen, hetgeen neerkomt op één kroeg op 86 Nederlanders. Daarnaast speelde een rol dat de accijns op gedistilleerd lange tijd een belangrijke bron van inkomsten van de nationale overheid vormde.

Dat de Nederlanders na 1900 steeds minder vaak naar de fles grepen – in de jaren dertig lag de consumptie op minder dan 2 liter pure alcohol per inwoner per jaar – was dus niet het resultaat van een bewuste overheidspolitiek, maar was het gevolg van door de burgerij, kerken en vakbonden gedragen acties. Na 1960 nam het alcoholgebruik weer sterk toe.

Op dit moment ligt de consumptie ver boven het negentiende-eeuwse hoogtepunt. Af en toe laat de overheid wel eens iets van zich horen, maar veel verder dan het stellen van een leeftijdsgrens bij de verkoop en tijdelijke drooglegging bij grootschalige evenementen strekken de maatregelen doorgaans niet. Of is het weer een voorbeeld dat er eigenlijk sinds het midden van de negentiende eeuw niet zo heel veel veranderd is, namelijk dat de stemmen van de ministers van Economische Zaken en van Financiën luider klinken dan die van de ministers van Sociale Zaken en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?

Cor van der Heijden: Rampen en plagen in Nederland 1400-1940, Kempen, 200 blz €19,50