De wandelaar moet zwijgen

Een lichte verongelijktheid klinkt soms door in het werk van Koos van Zomeren. Als mens die het beste voorheeft met medemens, dier, plant en landschap, weet hij zich niet altijd op juiste waarde geschat. En ook schort het nog wel eens aan waardering voor de schrijver Van Zomeren die zich in postuur zet om die medemens, dat dier, die plant en die omgeving in mooie, heldere formuleringen te vangen. In een interview met Ed van Eeden, dat met andere beschouwingen van en over Van Zomeren is opgenomen in de gelegenheidsbundel Want je ziet niet alleen wat je ziet, merkt hij op dat hij vaak enthousiaste reacties krijgt op zijn beschouwingen over dieren. `Mensen zeggen op literaire avonden wel: sinds dat boek van jou over koeien, bekijk ik koeien heel anders'. Maar, zo blijkt dan, het gaat Van Zomeren dan toch in zekere zin niet om die koeien, of althans niet alleen om die koeien, maar vooral ook om zijn literaire beleving en verwerking ervan. En vervolgens om de erkenning van zijn schrijverschap, liefst uitgedrukt in klinkende verkoopcijfers of in nominaties en onderscheidingen. `Ik zou natuurlijk liever horen: sindsdien lees ik al je boeken.'

Van Zomeren schrijft al bijna veertig jaar, is binnen afzienbare tijd aan zijn vijftigste boek toe en nadert zelf de zestig. Hoe uitgebreid die jubilea gevierd gaan worden, lijkt mij ook enigszins afhankelijk van de boeken die hij nog in petto heeft. Nummer 48, pas verschenen, is een roman: Het leven heeft geen geheimen. Die roman brengt ons nog niet meteen een gloednieuwe, onverwachte Van Zomeren, al valt er vaker nog dan anders iets te grinniken. Hij vertelt een verhaal over een nogal eenzelvige, wandelgrage man, Hans Riggeling genaamd, die op de Velpse begraafplaats Moscowa in botsing is gekomen met een man op een mountainbike. Daardoor raakte hij van schrik zijn stem kwijt en nu moet hij een tijdlang sprakeloos door het leven. Hij denkt dus veel na, over zijn overleden ouders, zijn oude tante Caecile, over zijn vrouw Emma die een `winkeltje' heeft en ook over `onze Julius', zijn jongere broer of halfbroer die al jaren geleden is verongelukt. Hij is op zoek naar de geheimen in het leven die er wel degelijk blijken te zijn, voor wie verder kijkt dan zijn neus lang is.

Het verhaal over Hans Riggeling wordt op zeker moment onderbroken voor een autobiografisch intermezzo, waarin sprake is van een man die net als Van Zomeren een hond heeft die Stanley heet en een vrouw genaamd Iris en waarin enkele boektitels van Van Zomeren worden genoemd. In dat intermezzo wordt ons een kijkje gegund in de werkplaats van de schijver, die zich wat mopperig uitlaat over zijn roman die maar geen roman wil worden. Hij wil graag een intrigerende episode inlassen over een Duitse soldaat die, in het voorjaar van 1945, door een paar Russen gevangen werd genomen. Eerst werd hij een tijdlang aan het lijntje gehouden – hij kon zijn leven rekken door voor hen piano te spelen – om vervolgens toch nog te worden neergeschoten. Maar Van Zomeren, zullen we nu maar zeggen, weet niet hoe hij die episode met de Duitse soldaat kan laten aansluiten bij het andere verhaal.

De beschouwelijke Riggeling, een paar jaar ouder dan hijzelf, is een man naar Van Zomerens hart: hondenliefhebber, introvert, droge humor. Hij bedenkt hoe gehandicapt een mens is die niet (meer) praten kan, vooral op straat, waar hij ieder moment kan worden aangesproken. `Als je niet reageert, denken ze dat je gevaarlijk bent. Als ze merken dat je niet kunt praten, denken ze dat je achterlijk bent. Weerloos ben je.' Die weerloosheid maakt hem angstig, maar ook wat opvliegend. Hij ergert zich aan alles wat hij vanachter het raam ziet bewegen. Aan de postbode die langs de huizen trekt, de Vlaamse gaai die de laatste eikels verzamelt, maar ook aan de blaadjes die uit het bos komen waaien.

Maar bovenal is Van Zomerens zwijger nijdig. Hij foetert dat land en cultuur teloorgaan, dat de stilte wordt vermoord door te snel rijdende auto's en voortdurend afgaande mobiele telefoons, dat de atmosfeer wordt vervuild door sterke parfums en `al die als braamstruiken voortwoekerende ego's'. Dat onze Hans, bij al zijn cultuurpessimisme, geen rechtse bal is, mag blijken uit deze verzuchting: `Ik heb een hekel aan mensen die zeggen dat Nederland vol is.' Maar hij is ook weer geen linkse rakker: `Ik heb ook een hekel aan mensen die zeggen Nederland niet vol is.' Hij meent dat alles draait om de openbare ruimte, waarin iedereen zich, zonodig anderen omverrijdend met een moutainbike, een plaats probeert te veroveren.

In Het leven heeft geen geheimen wordt op een droogkomische, maar tegelijk ook wat aangebrande manier gepleit voor het behoud van de laatste restanten landschap en voor een fatsoenlijke omgang met plant, dier en medemens. Tussendoor vestigt Van Zomeren af en toe de aandacht op zichzelf, als schepper niet alleen van deze roman, maar van een respectabel oeuvre, waarin hij keer op keer opkomt voor alles wat weerloos is. Ooit zal hem daarvoor vast een beker, een prijs of een lintje toevallen.

Koos van Zomeren: Het leven heeft geen geheimen. De Arbeiderspers, 122 blz. €14,95

Ed van Eeden (e.a.): Want je ziet niet alleen wat je ziet. Over het werk van Koos van Zomeren. De Arbeiderspers, 128 blz. €12,–