De man van de angstschreeuw

Zijn tegenspeler heette Goethe. De oude dichtervorst noemt E.T.A. Hoff mann in zijn gesprekken met Eckermann en in zijn dagboeken uitsluitend in denigrerende zin en laat hem graag flankeren door triviale, tegenwoordig volkomen vergeten schrijvers. `Krankhafte Werke eines leidenden Mannes', zo oordeelde de Olympiër van Weimar. Een geheel andere mening was Heinrich Heine toegedaan, die als jonge lezer de ontwikkeling van Hoffmann nauwgezet heeft gevolgd en van wie ook de beroemd geworden formulering `een angstschreeuw in twintig delen' stamt. Waarschijnlijk heeft Heine bij hem precies datgene bewonderd wat Goethe zo afstootte: het weinig harmonieuze, door en door gespleten en tevens morbide wereldbeeld – al datgene wat Hoffmann voor de vroege negentiende eeuw zo uitzonderlijk en modern maakte en wat hem ook tegenwoordig nog veel lezers oplevert.

Hoffmanns verzamelde werk is in amper tien jaar tijd ontstaan: de beide grote romans Die Elixiere des Teufels (1816) en Lebensansichten des Katers Murr (1821) alsmede tientallen novellen, sprookjes en verhalen, waaronder meesterwerkjes als Das Fräulein von Scuderi, Meister Floh, Der Goldene Topf of Der Sandmann. Een gigantische productie, zeker als men beseft dat Hoffmann ook nog componeerde, muziekrecensies schreef (hij geldt als een van de ontdekkers van Beethoven), schilderde en een veeleisende baan had als jurist annex regeringsambtenaar.

Ernst Theodor Amadeus Hoffmann – de derde voornaam koos hij later uit bewondering voor Mozart – werd in 1776 te Königsberg (Kaliningrad) geboren, de hoofdstad van het voormalige Oost-Pruisen. Zijn ouders waren gescheiden, zijn moeder geestesziek; hij werd opgevoed door een kunstzinnige oom. Hoffmann studeerde rechtswetenschappen en verhuisde in 1808 naar het Zuid-Duitse Bamberg, waar hij directeur werd van het muziektheater en waar hij de aandacht trok door een verhouding met een veertienjarige scholiere. In 1815 verwierf hij een post als rechter in Berlijn; 's avonds en 's nachts ontstond hier, niet zelden in een alcoholische roes, het grootste deel van zijn oeuvre. Hoffman stierf in 1822, amper 46 jaar oud.

Hoffmann werd niet alleen in Duitsland veel gelezen, ook het buitenland ontdekte hem snel. In Frankrijk, waar Gérard de Nerval en Baudelaire niet moe werden hem aan te prijzen, verscheen al in 1829 zijn complete werk in vertaling; hij gold er als de grondlegger van het `genre fantastique', soms ook wel gepersonaliseerd tot `genre hoffmannesque'. In de Angelsaksische wereld hebben onder anderen Stevenson en vooral Edgar Allan Poe zijn invloed ondergaan; Poe's beroemde verhaal `The fall of the house of Usher' is ondenkbaar zonder Hoffmanns novelle `Das Majorat'.

In Hartmut Steinecke's lijvige Die Kunst der Fantasie komen alle vaste thema's uit de Hoffmann-literatuur aan bod: zijn problemen met de censuur, zijn ongelukkige huwelijk en zijn hang naar een hartige slok, zijn passie voor de muziek (die hij lange tijd boven de literatuur stelde), zijn talrijke obsessies en zijn dubbelleven als jurist en kunstenaar. Steinecke (1940) is hoogleraar literatuur in Paderborn en schrijft ietwat professoraal: degelijk en soms zelfs sterk in de analyse van de diverse romans en verhalen, maar ook tamelijk stijf en lang niet overal meeslepend. Het is dan ook niet het boek dat eerder verschenen levensbeschrijvingen door Eckart Klessmann en Rüdiger Safranski overbodig maakt.

Terecht noemt Steinecke de novellen en verhalen van Hoffmann sterker dan zijn romans. Het korte genre lag hem beter en de inconsequenties en de stereotiepe beschrijvingen van gemoedstoestanden als angst of verliefdheid, die zijn romans soms ontsieren, komen hier minder vaak voor. In de door Anton Haakman vertaalde bundel Klaas Vaak en andere verhalen zijn zes sublieme verhalen van Hoffmann opgenomen. Het langste verhaal is het bovengenoemde `Het majoraat', dat zich afspeelt op een typische Hoffmann-locatie, een afgelegen en vervallen kasteel, en waarin enkele van zijn favoriete thema's aan bod komen als moord en ziekte, somnabulisme en spookverschijningen. Het verhaal is gebaseerd op contrasten: enerzijds de ruwe wereld van jaloerse, op wraak beluste adellijken die elkaar uitmoorden en anderzijds de naïeve houding van een kunstgevoelige, musicerende jongeling (een alter ego van de schrijver) die toevallig op bezoek komt en hevig verliefd raakt op een barones.

Net zo sterk is `De mijnen van Falun', dat handelt over een jongeling die op zijn huwelijksdag in de ban raakt van de `mijnkoningin' en ondergronds wordt bedolven. Na precies een halve eeuw wordt zijn lijk `zonder ieder spoor van ontbinding' gevonden en terstond door zijn inmiddels bejaarde vrouw herkend. Een geheel andere, lieftallig-ironische toon slaat Hoffmann aan in het kostelijke sprookje `Notenkraker en muizenkoning', waarin een meisje figureert dat fantasie en werkelijkheid verwisselt en 's nachts allerlei avonturen beleeft met haar speelgoed.

Hoffmann vertelt altijd in een uiterst jachtige, pathetische stijl die de lezer geen enkele rust gunt, een stijl die met het predikaat `meeslepend' nog ontoereikend is omschreven. Veelvuldig maakt hij gebruik van vooruitwijzingen, sprongen in de tijd, commentaar op de handeling en perspectiefwisselingen – een uitgesproken modernist en samen met zijn geestverwant Heinrich Heine en wellicht nog Heinrich von Kleist mag je Hoffmann gerust de levendigste onder de Duitse prozameesters van de negentiende eeuw noemen.

Zelfs in het onromantische Nederland werd Hoffmann al vroeg vertaald en heeft hij altijd veel lezers gehad, zoals Louis Couperus, Simon Vestdijk en Gerard Reve. De laatste Nederlandse Hoffmann-vertaling dateert van 1991 en is van Klaus Siegel, die voor de kleine uitgeverij Nota Bene `Der Sandmann' vertaalde. Dit verhaal is nu ook door Haakman vertaald onder de titel `Klaas Vaak'. Ik citeer de eerste twee zinnen (een brieffragment) en begin met Siegels vertaling. `Voorzeker zijn jullie allen vervuld van ongerustheid, nu ik zo lang ... zo lang niet heb geschreven. Moeder is stellig vertoornd en Clara zal stilaan wel denken dat ik er hier maar op los leef ...' Siegels vertaling is foutloos, elegant (voor een `woeste' schrijver als Hoffmann misschien wel té elegant) en met woorden als `voorzeker' en `vertoornd' nogal archaïsch – wat ik niet als kritiek bedoel. Haakman vertaalt als volgt: `Jullie zijn ongetwijfeld allen erg ongerust nu ik zo lang ... zo lang niet heb geschreven. Moeder is vast boos en Clara zal wel denken dat ik er hier maar op los leef...' Haakman vertaalt minder `mooi' maar daardoor nuchterder en zeker een stuk moderner. Soms is hij net iets te nuchter en valt er een nuance weg. Maar dit zijn kleinigheden en het belangrijkste blijft dat Haakmans verder betrouwbare vertaling uiterst geschikt is als kennismaking met de grote, ook na twee eeuwen nog sprankelende Duitse romanticus.

Hartmut Steinecke: Die Kunst der Fantasie. E.T.A. Hoffmanns Leben und Werk. Insel Verlag, 645 blz. €34,– E.T.A. Hoffmann: Klaas Vaak en andere verhalen. Vertaald door Anton Haakman. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 312 blz. €29,95