De hele familie rondom het paasei

In 1980 schilderde Paula Thies, toen zestig jaar oud, een `Zelfportret als lid van de Orde der Kleur-in-het-leven-brengers'. Gekleed in een dikke donkergroene winterjas staat ze pontificaal in het schilderij. Weemoedige ogen kijken ons aan vanuit een vol, archaïsch gezicht met rood opgloeiende wangen. Om de mouw van haar jas schilderde Thies een band met felle kleurbanen. De Orde der Kleur-in-het-leven-brengers. Dat doet het ergste vrezen. Achter het voor de titel verzonnen eenmansgenootschap zou een esoterisch kindvrouwtje kunnen schuilgaan. Maar Thies' ernstige blik en de krachtige, volwassen manier waarop het zelfportret geschilderd is, spreken zulke associaties meteen al tegen.

Paula Thies (1920-2000) schiep in haar tekeningen en schilderijen een vreemde, felle wereld. Ze behandelde zowel ongewone onderwerpen als gewone onderwerpen in een ongewone vorm. Tot de eerste groep behoren schilderijen waarin een familie rondom een paasei poseert, de gezusters Brönte tv kijken en een moeder een kinderwagen langs een vogelverschrikker duwt. De verloren zoon – een traditioneler thema – is bij Thies een man die bij thuiskomst wordt verwelkomd door zijn honden, die blij naar hem opspringen.

In sommige schilderijen wordt de aanwezigheid van mensen alleen maar gesuggereerd, bijvoorbeeld door een platgevreeën open plek in het riet of door lege vrouwenkleren die erbij hangen alsof de draagster er nog in zit. Die kleding die een eigen leven leidt is een typisch Thies-thema: een origineel, absurdistisch gegeven dat toch ook genoeg mogelijkheden biedt voor een serieus schilderij. Dankzij haar brutale, potige manier van schilderen ontaardt haar gevoel voor humor nooit in meligheid. Het is gedoseerde humor, en humor met een functie bovendien. In Thies' vreemde wereld is het de verzachtende omstandigheid. De `kleur-in-het-leven' is onmiskenbaar schone schijn, maar we kunnen haar goed gebruiken.

In de helder vormgegeven monografie Paula Thies wordt de lezer steeds van de tekst naar de afbeeldingen gestuurd en weer terug. Schrijft biograaf Feico Hoekstra over de schilderlessen die Thies eind jaren vijftig in Salzburg volgde bij Oskar Kokoschka, dan maken vijf getekende stadsgezichten en een stel portretten meteen duidelijk hoezeer de beroemde Oostenrijker haar in die tijd beïnvloedde. Bladerend door de catalogus vraag je je af of Thies andere wilde figuratieven als Rudi Bierman en Jan Sierhuis gekend heeft; uit de biografie blijkt dat beiden eind jaren veertig klasgenoten van haar waren op de Amsterdamse Rijksacademie. Bekijk je haar schilderijen uit de tweede helft van de jaren zestig, die wat schematischer zijn dan haar eerdere en latere werk, dan begrijp je waarom Stedelijk Museum-directeur Edy de Wilde in die tijd parallellen zag met de Nieuwe Figuratie van Raveel, Freymuth en Lucassen.

Nadat Thies begin jaren zeventig van Amsterdam naar het Overijsselse dorpje Welsum was verhuisd, werd haar werk weer minder modieus. Bovendien ging ze naast schilderen ook tuinieren. Een bijdrage van Sarah Hart over de tuin in Welsum is het laatste stuk in deze voorbeeldige monografie. Het boek geeft een beeld van Thies' kleurrijke leven, van haar werk en van de plaats die het inneemt in de Nederlandse kunst van de twintigste eeuw.

Feico Hoekstra e.a.: Paula Thies.

Waanders, 208 blz. €39,95