Als een pijl de toekomst in

Ook na 11 september 2001 hebben Michael Hardt en Antonio Negri, profeten van het einde van het kapitalisme, de moed niet verloren. In hun nieuwe boek leidt de menigte ons naar een betere wereld. De precieze route ligt nog niet vast.

Vier jaar geleden verscheen Empire, een vuistdik manifest tegen de neoliberale globalisering geschreven door Michael Hardt en Antonio Negri. De ontvangst was spectaculair. `The Next Big Idea', kopte The New York Times enthousiast – een visionair brouwsel van marxisme, postmodernisme en cyberpunk met een stimulerende boodschap.

Dankzij de globalisering zijn de mogelijkheden van een radicale ommekeer op wereldschaal nu groter dan ooit, schrijven Hardt en Negri. De geschiedenis zal niet eindigen met Fukuyama's triomf van het neoliberalisme. Integendeel, door alles te informatiseren en de nationale grenzen op te heffen heeft het mondiale kapitalisme de voorwaarden voor zijn eigen ondergang gecreëerd. De doodgravers van het wereldkapitalisme zijn volgens het schrijversduo allereerst de migranten, die in onafgebroken stromen over de globe trekken, op zoek naar werk en een beter leven. Maar ze denken ook aan programmeurs in Palo Alto, activisten voor de mensenrechten, milieuclubs, feministen, anarchisten en leden van uiteenlopende actie- en protestgroepen in Oost en West. Over de hele wereld zien ze een veelkleurige verzetsbeweging groeien, die zich opmaakt om het systeem van `globale apartheid' op de knieën te dwingen en voor het eerst in de geschiedenis een rechtvaardige democratie op wereldschaal te realiseren.

Als tegenhanger van Fukuyama's neoliberale utopie kwam Empire precies op tijd. Het links-radicale engagement, dat sinds de doodverklaring van de `grote verhalen' in coma lag, leek te ontwaken. De protesten tegen de kapitalistische globalisering klonken steeds luider. In 1999 waren er rellen bij de Wereld Handels Conferentie in Seattle, in 2000 vond het eerste World Social Forum plaats in Porto Allegre, Brazilië. Een jaar later kwamen in Genua bij de G8 conferentie duizenden anti- en anders-globalisten heftig in botsing met de politie.

Empire (besproken in Boeken, 03.08.01) werd door activisten en academici verwelkomd als het lang verwachte filosofische antwoord op het conformisme van de jaren tachtig en het zelfvoldane marktfundamentalisme van de jaren negentig. De aanstekelijke suggestie van wereldwijde vernieuwing werkte als een elektroshock tegen de linkse depressie. Er was weer hoop. Globalisering was niet alleen de expansie van geld- en informatiestromen, het was tegelijk een voertuig voor machtige nieuwe vormen van protest en verandering.

De stemming begon er juist goed in te komen toen in september 2001 de aanslagen op het Pentagon en het World Trade Center plaatsvonden. De kritiek op de globalisering werd overstemd door de oorlog tegen het terrorisme. Het westen was in een botsing tussen beschavingen beland. De `anders-globalisten' moesten uitkijken om niet te belanden in het brede veld van vijanden die, omdat ze niet vóór de Verenigde Staten zijn, wel de anti-westerse jihad zullen steunen. Daar kwam nog bij dat supermacht Amerika er na 11 september niet tegenop zag om eenzijdig landen de oorlog te verklaren, zonder zich veel aan te trekken van de Verenigde Naties of van haar bondgenoten. Voor veel critici was dat het bewijs dat de analyse van Hardt en Negri de plank missloeg, dat er geen spraken was van de acties van een anoniem, centrumloos en transnationaal wereldrijk te maken hebben, maar van ouderwets natiegebonden imperialisme, made in USA.

Empire dus exit? Helemaal niet. Hardt en Negri lieten zich niet uit het veld slaan en brachten onlangs een vervolg uit: Multitude, genoemd naar het nieuwe revolutionaire subject dat het onvoltooide project van de moderne democratie moet afmaken. Multitude is opnieuw een filosofische studie, al besteden de auteurs wat meer aandacht aan concrete zaken zoals het functioneren van WTO en IMF, en aan de internationale politiek. Ook zijn ze terughoudender met het citeren van obscure poststructuralistische filosofen (Deleuze, Guattari), waardoor het boek beter toegankelijk is dan Empire. Verder treft de lezer er ongeveer dezelfde ingrediënten aan: politieke theorie (deze keer veel Marx, Lenin, en Madison), literatuur (Dostojewski), cyberstuff (filmtrilogie The Matrix) en een flinke dosis revolutionaire geschiedenis, van de Boerenopstanden uit de zestiende eeuw via de Lange Mars van Mao's volksleger naar de anti-autoritaire acties van de zapatistas, de rebellen van subcommandante Marcos in Mexico.

Opmerkelijk aan Multitude is dat de auteurs meteen duidelijk maken dat ze, ondanks hun postmoderne voorkeuren, ouderwetse vooruitgangsoptimisten zijn gebleven zijn. `De wordingsgeschiedenis van moderne opstanden, revoltes en revoluties leert dat die een tendens tot steeds democratischer organisatie laten zien', schrijven ze onbekommerd. Regelmatig signaleren ze een diep democratisch verlangen dat schuilgaat in elke daad van verzet, en dat erop wacht historisch gerealiseerd te worden. Met zo'n bemoedigende visie achter de hand kan er niet veel meer fout gaan.

Toch opent Multitude onheilspellend met het thema oorlog, dat kort na de verschijning van Empire bovenaan de internationale agenda kwam te staan. Volgens Hardt en Negri bewijzen de aanslagen van 11 september dat wij in een nieuw, postmodern tijdperk leven waarin de uitzonderingstoestand permanent is geworden en alle oorlogen burgeroorlogen zijn. Ze worden mondiaal gevoerd, niet langer door soevereine naties maar door het Empire, in naam van gerechtigheid en universele waarden. De vijand is abstract, onzichtbaar en ongrijpbaar, en houdt zich schuil binnen de grenzen van het rijk. Evenals in de dagen van het oude Rome gaan achter die abstracte vijand (`het terrorisme') vaak afvallige huurlingen schuil, zoals Osama bin Laden of Saddam Hussein, die beiden lang door de Verenigde Staten werden gefinancierd.

De auteurs doen vervolgens hun uiterste best om Amerika vrij te pleiten van de beschuldiging een imperialistische superpower te zijn. We moeten ons niet verkijken op de unilaterale politiek van Bush, die is van voorbijgaande aard, zeggen ze. Want ten eerste is het imperialisme van de natiestaten definitief verleden tijd en kan Amerika zijn militaire kracht alleen benutten zolang het de supranationale geldstromen niet schaadt, en ten tweede wordt de oorlog zonder een gespreid netwerk van bondgenoten te duur voor de VS. De aanslagen op 11 september waren niet tegen Amerika gericht, maar hadden een `algemene geldigheid' – hun doelwit was Empire. Erg overtuigend klinkt het allemaal niet, zolang het hoofdkwartier van bijna de helft van de grootste multinationals in de VS is gevestigd, Amerika de baas blijft in de NAVO en zestien keer zoveel geld aan defensie uitgeeft als de andere grote landen samen.

Maar al te lang blijven Hardt en Negri hier niet stilstaan want het centrale thema van Multitude is niet de oorlog maar de `menigte', die stille kracht in het hart van het Empire, waar alle hoop voor de toekomst op is gevestigd. `Menigte' is een technische term die in het Nederlands nog minder meeslepend klinkt dan in het Engels, en die gekozen is om duidelijk te maken dat het niet meer om zoiets ouderwets-marxistisch gaat als de `arbeidersklasse', en ook niet om het `volk' of de anonieme `massa'. De menigte is grenzeloos, ze omvat handarbeiders maar ook hoofdarbeiders, dienstverleners, boeren en studenten, en de onderlinge verschillen in cultuur, ras, etniciteit, sekse en seksuele voorkeur zijn er groot. Het beeld doemt op van een geweldige, swingende multiculti club, waar zo'n beetje iedereen die dat wil bij mag horen: werkloze piqueteros in Argentinië, personeel van McDonalds, de linkse oppositie, anti-oorlogsbewegingen, maar ook huisvrouwen, de homo's, en zelfs extreme body piercers, die hun lichaam ongeschikt gemaakt hebben voor de sleur van gezinsleven of fabriek.

Multitude verdiept zich uitvoerig in de bijzondere kwaliteiten van deze `menigte'. Zo zeggen Hardt en Negri dat ze `hybride' en `nomadisch' is, dat ze bestaat uit `singulariteiten' en `multiple subjecten' en dat haar primaire waarden `creativiteit, communicatie en zelforganiserende samenwerking' zijn. Verder is de menigte `een diffuus geheel van singulariteiten die een gemeenschappelijk leven produceren'. Ze wordt gestuurd door wat cyberfilosofen `zwerm intelligentie' noemen en opereert als een bijenzwerm: een schijnbaar vormloze massa die plotseling heel geconcentreerd kan toeslaan, om dan weer op te gaan in de omgeving en onzichtbaar te woren.

Dat klinkt allemaal intrigerend maar nogal vaag. Zal de menigte niet gespleten worden door interne culturele tegenstellingen? Hoe gaan al die singulariteiten straks samen iets gemeenschappelijks ondernemen? En de hamvraag: hoe kan een zwerm een heel Imperium ten val brengen? Hoe komt het revolutionair-democratische project waar het allemaal om draait ooit van de grond? Hardt en Negri maken er zich niet veel zorgen om. `De productie van de menigte brengt een expanderend, heilzaam uitwaaieren van het gemeenschappelijke op gang', laten ze weten.

Wat dit belabberde taalgebruik aan het oog moet onttrekken is dat ze eigenlijk geen flauw idee hebben. Sterker: ze willen het ook helemaal niet weten. Op de oude vraag `Wat te doen?' – ooit gesteld door Lenin in zijn gelijknamige geschrift – hebben wij geen antwoord, zeggen ze eerlijk op de laatste bladzijde van Multitude. Zeker is alleen dat er na een periode van geweld, tegenstellingen en gezwoeg een bijzondere gebeurtenis zal plaatsvinden – een gebeurtenis die de tijd in tweeën zal breken en ons als een pijl de toekomst in zal schieten. Dat zal dan de ware politieke liefdesdaad zijn, besluiten Hardt en Negri plechtstatig.

Dat is een bijna mystiek slot, dat onbedoeld hilarisch is omdat de auteurs het zo bloedserieus bedoelen. Het vestigt de aandacht op een gebrek aan realiteitszin dat ook Empire al parten speelde, en dat wel eens meer met het revolutionaire verleden van Toni Negri te maken zou kunnen hebben, dan met de actualiteit van de dagelijkse strijd tegen Empire.

Toni Negri was in de jaren zeventig hoogleraar politieke wetenschappen in Padua en activist. Na de moord op de Christen-democraat Aldo Moro door de Rode Brigades werd hij met talloze andere links-radicalen opgepakt en tenslotte in 1983 tot twintig jaar cel veroordeeld – niet voor daadwerkelijke maar voor `morele' betrokkenheid. Na 14 jaar ballingschap in Parijs, die hij onder meer vulde met doceren aan de Sorbonne – de jonge Amerikaan Michael Hardt zou bij hem promoveren – keerde hij terug naar Italie in 1997, en werd prompt weer opgepakt. Vorig jaar werd hij officieel ontslagen uit de Rebibbia-gevangenis in Rome.

Negri's sympathiëen lagen bij de zogeheten Autonomen, die aanhangers waren van een anti-autoritair marxisme dat op twee punten afwijkt van de orthodox-marxistische leer. Ten eerste wezen ze de leninistische voorhoedepartij af en stonden ze kritisch ten opzichte van de georganiseerde arbeidersbeweging, die naar hun mening allang het contact met de basis kwijt was en als verlengstuk functioneerde van het staatsapparaat. Ten tweede gaven ze een andere invulling aan het proletariaat van Marx, door het uit te breiden met studenten, intellectuelen, huisvrouwen, werklozen, boeren en soldaten. Omdat het proletariaat overal is, moet de strijd ook in de wijken, de scholen en universiteiten, in het leger en op het land gevoerd worden, was hun leus.

De Autonomen leken de wind mee te hebben. Begin jaren zeventig, toen elders in Europa de radicale studentenbeweging desintegreerde en de revolutionaire arbeiders het lieten afweten, was in Italië de geest uit de fles. Duizenden studenten en arbeiders voerden samen actie, buiten de traditionele organisaties om. Stakingen waren aan de orde van de dag. De theorie van de spontane strijd van onderop werd elke dag bevestigd. De utopie van de zich zelf organiserende massa leek even realiteit te worden. Totdat in sociale en politieke chaos van de late jaren zeventig het geweld escaleerde en de regering ingreep. De activisten werden massaal ontslagen en opgepakt, links zou zich van de klap nooit meer herstellen, het sprookje was uit.

Eigenlijk heeft Toni Negri in de afgelopen decennia niet anders gedaan dan de filosofie van het spontaneïsme, die de jaren tachtig in nederzettingen als Kreuzberg, Berlijn, moeizaam overleefde, verbinden met Franse filosofen als Foucault en Deleuze.

Multitude is belast met een anti-autoritaire erfenis, die vooral zichtbaar wordt in het geloof aan een magisch revolutiemoment dat zich `zomaar' zal aandienen, en een spontane `menigte' die met het creatief ombouwen van de wereld weinig moeite heeft. Het boek herhaalt het misverstand dat elke daad van verzet een creatieve daad is, en dat alles in orde komt als hiërarchieën maar vervangen worden door netwerken. Dat misverstand stamt uit de extatische atmosfeer van mei 1968, toen alleen al de gedachte aan organisatie en strategie reactionair was en alles spontaan moest, zonder agenda, zonder structuur, zonder hiërarchie.

Maar de Autonomen van toen zijn er nooit in geslaagd een realistisch alternatief te formuleren voor de fossiele vakbeweging en de communistische partijen. En dat er van die hele protest- en vernieuwingsbeweging momenteel zo weinig meer over is zou wel eens een direct gevolg kunnen zijn van het gebrek aan organisatorische ruggegraat van toen, en het blinde geloof dat de wereld vanzelf wel gered zal worden.

Dat maakt de inspanningen van Hardt en Negri nog niet zinloos. Het is te prijzen dat zij nog steeds manifesten schrijven voor een beter leven. Maar wie denkt dat het oude recept voor herhaling vatbaar is, in een wereld die nog veel verdeelder is dan toen, die houdt zichzelf grondig voor de gek.

Michael Hardt & Antonio Negri: Multitude. War and Democracy in the Age of Empire. Penguin, 427 blz. €25,71

Rectificatie / Gerectificeerd

Van het boek Multitude door Antonio Negri en Michael Hardt (besproken in Boeken, 10.12.04) is een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Menigte, vertaald door Guus Houtzager (De Bezige Bij, €24,90)