ABP in 2005: dubbel gepakt door de lage rente

Voor de vierde keer in vier jaar stijgt de premie bij ABP, Nederlands grootste pensioenfonds. Somberheid en strijd liggen in het verschiet.

Het zat er aan te komen, maar fijn is anders. ,,Het kabinet is er veel aan gelegen dat een premiestijging in 2005 wordt afgewend'', schreef minister J. Remkes van Binnenlandse Zaken (VVD) in zijn Trendnota Arbeidszaken Overheid 2005, die rondom prinsjesdag uitkwam. Zijn ministerie is formeel dé overheidswerkgever.

Maar het is niet gelukt. De premie voor het pensioen van meer dan een miljoen ambtenaren en leraren gaat volgend jaar toch omhoog: met 2,6 procentpunt naar bijna 22 procent. Dat betekent een stijging van rond 15 procent.

Vorig jaar wisten de overheidswerkgevers een veel grotere premiesprong nog te voorkomen, door de ABP-pensioenregeling te versoberen. Nu gaat de premie toch naar een niveau dat toen onbespreekbaar was.

De premieverhoging is de vierde in vier jaar en onderstreept hoe duur pensioenen zijn geworden. In zijn gisteren gepubliceerde nieuwsbrief voorspelt het Centraal Planbureau (CPB) een inflatie van 1,25 procent, voor dit jaar en voor 2005. Maar dat geldt vooral voor producten op de vrije markt, zoals olie (duurder) en levensmiddelen (goedkoper door prijzenoorlog in supermarkten).

De producten op de (semi-)collectieve markt laten een heel ander beeld zien. Gemeentelijke heffingen stijgen steevast meer dan de inflatie. Zorg wordt veel duurder. En pensioen ook. De ABP-pensioenlasten zijn in vier jaar tijd meer dan 100 procent gestegen tot meer dan 6 miljard euro volgend jaar. Daarvan betaalt de werkgever driekwart, de werknemers de rest.

De premiestijging bij ABP volgt op de recente daling van de langlopende rentetarieven en de lage inflatie. ABP becijfert zijn pensioenverplichtingen op de actuele waarde. Dat is een voorschrift van de toezichthoudende Nederlandsche Bank dat officieel pas in 2006 ingaat. Bij de becijfering van de actuele waarde speelt de actuele rente minus de inflatie een hoofdrol: hoe lager de rente, hoe hoger de toekomstige pensioenverplichtingen. De beleggingen (waarvan ruim 40 procent aandelen) waarmee de pensioentoezeggingen worden betaald, moeten sinds 1997 al tegen actuele waarde in de boeken staan. De rente is straks belangrijker dan de beurstrends.

Doordat de nieuwe regels pas voor pensioenfondsen in 2006 ingaan en de overgangsbepalingen vaag zijn, heeft het ABP-bestuur langdurig strijd geleverd met De Nederlandsche Bank. De werkgevers en werknemers wilden helemaal geen premieverhoging, maar zijn, zo zeggen nauw betrokkenen, voor het blok gezet.

De dalende rente van de afgelopen maanden heeft hun positie volledig ondermijnd. Halverwege het jaar leek de stijgende rente de sociale partners juist in de kaart te spelen. Bovenop de premie die voortvloeit uit de kostprijs van de pensioenen, moet ABP een opslag van ruim 14 procent heffen om zijn financiële positie te verbeteren.

En het vervelende voor ABP en de rest van de pensioenwereld is: de extreem lage rente gaat gepaard met afnemende beleggingswinsten. ABP rekent op lange termijn op een rendement van 7 procent. Maar volgend jaar zit er niet meer dan 4 à 5 procent in het vat, rekende ABP's hoofd vermogensbeheeronderzoek, W. Barentsen, vorige week voor in Het Financieele Dagblad. Dezelfde dalende rente die de pensioentoezeggingen duurder maakt, drukt ook de beleggingswinsten.

Nu de premiestijging nabij is, kan de strijd losbranden over de vraag wie de rekening betaalt. Het is koren op de molen van de werkgevers: de stijgende kosten kunnen de bonden vermurwen dat langer doorwerken de pijn in de portemonnee kan verlichten. In zijn Trendnota uit september was Remkes duidelijk: als de premie omhooggaat zou dat ,,kunnen leiden tot beperking van de pensioenafspraken, tot lastenverzwaring voor werknemers of tot consequenties voor de bedrijfsvoering''.

Oftewel: een nieuwe ronde pensioenversobering, koopkrachtdaling van het overheidspersoneel of banenverlies. ,,Dan zie je het lijk wel drijven'', zegt een vakbondsman. AbvaKabo FNV wil bijvoorbeeld de koopkracht op peil houden met een loonsverhoging die gelijk is aan de verwachte `markt'inflatie van het CPB.

Daarnaast hebben zij 1,75 procent geëist om leuke dingen voor de mensen te betalen, zoals levensloop en de overgangsregeling voor prepensioen. Als de pensioenkosten daar meteen een hap uit nemen, is de sfeer al bedorven voordat de onderhandelingen begonnen zijn.