Turkse islam is geen bedreiging

Op 17 december beslist de Europese Raad van regeringsleiders in Den Haag of al dan niet met Turkije onderhandeld zal worden over toetreding van dat land tot de Europese Unie. Erik-Jan Zürcher vindt dat angst voor de islam, hoe begrijpelijk ook, niet de doorslag mag geven.

Leidende Europese politici, premier Balkenende voorop, houden niet op te verklaren dat de beslissing over toetreding van Turkije tot de Europese Unie uitsluitend op basis van politieke criteria genomen zal worden. Turkije zal niet anders behandeld worden dan de tien landen die vorig jaar tot de unie zijn toegetreden.

Echter, intussen woedt in de media en de publieke opinie natuurlijk een heel ander debat. In dat debat gaat het er niet om of Turkije voldoende voortgang heeft gemaakt bij de democratisering of de mensenrechten. Het wordt beheerst door de angst dat met de toetreding van Turkije 70 miljoen moslims de EU binnenkomen. In de angst die hiervoor wordt gevoeld, spelen factoren die niets met Turkije te maken hebben onderhuids een grote rol.

Sinds de aanslagen in New York en Madrid en helemaal sinds de moord op Van Gogh wordt islam gedefinieerd als een gevaar voor Europa en geassocieerd met terrorisme en haat jegens het Westen. Het debat over Turkse toetreding vermengt zich met de zorgen over (gebrek aan) integratie en radicalisme onder de Nederlandse moslims, en publieke intellectuelen die zich uiten over de plaats van Turkije in of buiten Europa verbinden dat onderwerp met verbazingwekkend gemak met oproepen aan `de Nederlandse moslimgemeenschap' om zich schrap te zetten tegen het fundamentalisme. Dat die gemeenschap helemaal niet bestaat, dat de banden tussen Turkse moslims en Marokkaanse moslims zwakker zijn dan die tussen elk van die beide groepen en de autochtone Nederlanders, en dat Turkse moslims geen rol van betekenis spelen in de radicale netwerken in Nederland, wordt gevoeglijk van tafel geveegd.

Deze onrust, deze associaties negeren en het debat beperken tot de officiële politieke criteria is hoogst riskant. De kans bestaat dat er, net zoals is gebeurd met de landen in Oost-Europa, maar dan nog een tikje erger, politieke beslissingen van ingrijpende aard, met een uitwerking op de toekomst van Europa, worden genomen zonder dat daar een draagvlak voor bestaat. Het is daarom nodig de vraag onder ogen te zien of het feit dat Turkije een land van moslims is, een belemmering vormt voor de toetreding van dat land tot Europa.

Dan moet eerst overeenstemming over de probleemstelling bestaan. Het kan niet de vraag zijn of moslims wel in Europa passen. Niet alleen leven er nu al, als gevolg van arbeidmigratie en dekolonisatie, tussen de 15 en 20 miljoen moslims binnen de grenzen van de EU, de islam is al honderden jaren deel van het Europese landschap.

De vraag is dus niet of Europa kan omgaan met religieuze veelvormigheid. De vraag is of de inwoners van Turkije, voor meer dan 90 procent moslim, in voldoende mate de waarden van het huidige Europa delen om er in opgenomen te kunnen worden. Die waarden omvatten de democratie (in vele vormen) en respect voor mensenrechten, maar ook, en misschien wel in de eerste plaats, de secularisatie van het publieke bestel.

Die secularisatie, in Europa gekenmerkt door de scheiding van kerk en staat, is nergens absoluut: een Nederlandse prinses die katholiek wordt, moet haar claim op de troon opgeven, de Scandinavische landen hebben staatskerken, de Britse vorstin is het hoofd van de Anglicaanse kerk, de Franse premier mag kandidaten voor bisschopszetels voordragen en de Duitse Bondsrepubliek int belasting voor de kerken. Niettemin is sinds de Franse revolutie de gedachte gemeengoed geworden dat bestuur en politiek zich afspelen op een seculier speelveld, waar door mensen gemaakte regels gelden, ook al wordt een deel van de spelers door hun geloof geïnspireerd. Kleine groepen andersdenkenden die eigenlijk Gods wet op aarde willen laten gelden en dus ongrondwettelijk zijn, worden getolereerd zolang zij ongevaarlijk zijn. De SGP is hiervan een mooi voorbeeld.

Past moslimland Turkije in zo'n geseculariseerd bestel? Die vraag laat zich op twee manieren beantwoorden. Als we naar de staatsinrichting en het politieke bestel kijken, zien we een land dat al bijna tweehonderd jaar verwikkeld is in een seculariseringsproces. Als enig land in de islamitische wereld is in Turkije de islamitische wet geen rechtsbron. De formele invloed van de islam op recht en bestuur is nihil, maar het omgekeerde is niet waar: de Turkse staat oefent, zo seculier als hij is, strakke controle uit op de religie. In dit opzicht is Turkije een ware erfgenaam van het Ottomaanse rijk en ook van iedere andere islamitische staat die er ooit heeft bestaan, want doordat de islam vanaf het begin een zichzelf besturende onafhankelijke gemeenschap is geweest, heeft zich nooit iets kunnen, of hoeven, vormen wat vergelijkbaar is met de kerk in de Europese context.

Scheiding van kerk en staat is niet mogelijk, want er is geen kerk om van te scheiden. De regering in Ankara zorgt via een leger van bijna 100.000 overheidsdienaren die in dienst zijn van het Presidium voor Religieuze Zaken, voor de gelovigen. Dat is, in een Europese context, problematisch omdat het presidium ook centraal de boodschap vaststelt die uitgedragen moet worden en dat is niet iets wat past bij moderne Europese opvattingen over vrijheid van geweten en religie.

Principieel is de manier waarop de islam in Turkije is georganiseerd dus een probleem voor Europa, maar praktisch heeft het ook voordelen. Het Turkse religieuze establishment heeft een traditie van honderden jaren symbiose met de staat achter zich. Die heeft het een pragmatisch en flexibel karakter gegeven, omdat in de loop der tijd steeds nieuwe politieke en maatschappelijke realiteiten moesten worden gelegitimeerd. De Turkse staatsorganen prediken een islam die wars is van ieder radicalisme en die de gelovigen vooral een moreel richtsnoer in hun persoonlijk leven probeert te geven.

Nu is een seculiere orde natuurlijk altijd kwetsbaar, als die opgelegd is aan een bevolking die de seculiere waarden en wereldvisie niet deelt. Het Iran van de Pahlevi-dynastie is hiervan een goed voorbeeld. Dat regime werd uiteindelijk door massaal maatschappelijk verzet ten val gebracht, maar ook in de strikt seculiere Verenigde Staten wordt de laatste twintig jaar de spanning tussen de formele staatsorde en het religieuze vuur van een belangrijk deel van de bevolking zichtbaar. In Europa wordt gelukkig, zelfs in de landen zoals Polen waar het aantal kerkgangers vele malen hoger ligt dan in Nederland, de seculiere orde geschraagd door een bevolking die de seculiere spelregels erkent.

Wordt in Turkije de seculiere orde wel op een zelfde manier gestut door de overtuiging van de bevolking? Het antwoord is: niet helemaal, maar wel in voldoende mate. Uit sociologisch onderzoek blijkt dat na tweehonderd jaar inspanning van de kant van de elite het secularisme diep in de poriën van de bevolking is doorgedrongen.

De verkiezingsuitslagen lijken dit beeld te bevestigen. De partij die zich sinds 1970 onder allerlei verschillende namen (Nationale Orde Partij, Nationale Heilspartij, Welvaartspartij, Partij van de Deugd, Partij van de Gelukzaligheid) sterk gemaakt heeft voor een grotere rol van de islam in de maatschappij, kwam alleen via een lijstverbinding in 1995 tot 21 procent van de stemmen en heeft een harde kern van tussen de 10 en 15 procent van de kiezers. Het is waar dat Turkije momenteel wordt geregeerd door een partij, de AK Partij, waarvan de leiders afkomstig zijn uit deze religieuze politieke beweging.

De AKP heeft nu enorme steun onder de bevolking en het is een islamitisch geïnspireerde partij die conservatieve normen en waarden hoog in het vaandel heeft staan. Binnen de partij zijn liberalere en conservatievere stromingen en er is zeker ook een fundamentalistische stroming. De partijleiding werpt deze stroming soms een lekker hapje toe, zoals premier Erdogans steun aan het voorstel om overspel een strafbaar feit te maken (een voorstel dat onder Europese druk schielijk werd ingetrokken). Het is echter uitermate onwaarschijnlijk dat Erdogan en de zijnen Turkije op een meer radicaal-islamitische koers zouden willen brengen, niet omdat zij secularisten in hart en nieren zijn, maar omdat zij politici zijn en weten dat voor een dergelijke koers onder de Turkse bevolking niet voldoende steun te vinden is.

De angst voor de islam in Europa, en in het bijzonder in Nederland, is wijdverbreid en hij is ook begrijpelijk. Politici en opiniemakers moeten deze angst niet buiten de orde verklaren als de toetreding van Turkije tot de EU aan de orde komt. Beter is het om met open vizier het debat aan te gaan om duidelijk te maken dat de Turkse islam geen bedreiging vormt en goed is in te passen in Europa.

Erik-Jan Zürcher is hoogleraar Turkse talen en culturen aan de Universiteit Leiden. Maandag 13 december neemt hij van 14.00 tot 17.00 uur deel aan een discussie over Europa en Turkije die wordt georganiseerd door de International School for Humanities and Social Sciences van de Universiteit van Amsterdam.

www.nrc.nl/opinie : Eerdere afleveringen in deze serie.