Op ons komt het aan

De overheid legt een ,,verstikkende stapeling van toezicht en verantwoording'' op ziekenhuizen, scholen en woningcorporaties, en dat is slecht voor de kwaliteit van de dienstverlening en voor de werksfeer. Dat is de conclusie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een rapport dat vorige week werd gepresenteerd. De WRR beveelt de overheid aan, af te stappen van wantrouwen en meer ruimte te geven aan de organisaties en de mensen die er werken.

Het is mooi gezegd, maar er moet heel wat gebeuren voordat het wantrouwen verdwijnt. De overheid is als geheel gefixeerd geraakt op beheersing van risico's, stelt de WRR. Zo vreemd is dat niet. Men wil ongelukken of ontsporingen voorkomen, want elk ongeluk dat wel gebeurt, is goed voor verontwaardiging in de krant en vragen in de Kamer. Dat leidt weer tot een volgende draai aan de bankschroef die een minister of departement aanlegt op de organisaties die hij in de klem heeft of zou willen hebben.

Maar de diepere oorzaak van het wantrouwen en alle regeltjes en toezicht ligt niet bij de overheid. Die ligt bij het Nederlandse publiek, bij ons. Wij zijn allergisch geworden voor tegenslag. De levensnorm is genot, fun en succes, en als dat niet komt, moet er iemand een wanprestatie hebben geleverd. Die moet worden gevonden en aansprakelijk gesteld. Wapperend met ons garantiebewijs gaan we ons verhaal halen bij de leverancier van onze leefomstandigheden.

De Allerhoogste is er niet meer, die hebben we weggestuurd, maar in zijn lege kantoor heeft De Overheid zich gevestigd. Die vond het aanvankelijk wel een prettige rol, lekker verheven boven het gedoe, welwillend op plaatsen van nood enkele lenigende maatregelen treffen en daar de dankbaarheid van het ontroerde volk voor in ontvangst nemen. Dat was zo in de vijftiger jaren: mijn grootouders waren verrukt over de gulle hand van Drees, die hun zomaar een ouderdomsuitkering bezorgde waar ze niet zelf voor gespaard hadden.

Intussen begint de overheid een vermoeden te krijgen waarom God niet protesteerde toen hij zijn ontslag kreeg: het is een verschrikkelijke baan. De aanroepingen die al sinds oudtestamentische tijden klonken – ,,Heer geef mij geluk en rijkdom en sla mijn vijanden met zweren of erger'' – komen nu bij de overheid terecht. Met dat verschil dat het morrende volk God niet ter verantwoording kon roepen, maar de overheid wel: ,,We zullen je wel krijgen, we zetten je bij de volgende verkiezingen op 28 zetels verlies als je ons niet geeft wat wij willen!'' En zo begint de overheid in paniek te morrelen aan allerlei maatschappelijke sturingsknoppen. Dat de boel niet totaal in het honderd loopt is alleen te danken aan het goede hart en de betrokkenheid van uitvoerende mensen als verplegend personeel, docenten en zelfs de brave invullers van wantrouwende rapportageformulieren.

Oververhitting is wat er aan het gebeuren is. Te veel aanspraken, te veel gewekte verwachtingen en beperkte middelen om ze in te lossen. Als volk zijn wij over onze toeren geraakt, en morrend maken we ons op om gewapend met mestvorken en dorsvlegels een herhaling op te voeren van de moord op de gebroeders De Witt. Geen wonder dat wantrouwen overheerst, bij de overheid en overal. Elk incident kan uit de hand lopen tot een afrekening. De warming-up hebben we al gehad bij een aantal parlementaire enquêtes, waar steevast enkele boosdoeners werden benoemd als aanstichters van het kwaad. Als zondebokken werden ze de woestijn in gestuurd, en heel eventjes voelden wij ons gelouterd en van smet bevrijd. Tot de volgende tegenslag.

We zijn als moleculen in een heet hogedrukvat. We hebben last van de druk en de hitte, maar we zijn er zelf de oorzaak van. We bewegen te snel en te heftig. Het zou fijn zijn als we met zijn allen – columnisten niet in de laatste plaats – een beetje konden temperen en afkoelen. Dat moeten we niet van de overheid vragen. Juist niet, het is aan onszelf. Misschien kunnen we eens oefenen met de verkoeling van het woordje `jammer'. Dat zijn we kwijtgeraakt, de spijtige vaststelling dat ons iets is overkomen dat we liever niet hadden gehad, iets waarop we geen invloed hadden en dat ook niet de schuld is van een ander. Er schuilt een heel simpele maar wezenlijke erkenning in, namelijk dat er zoiets is als overmacht. Shit happens, kortom.

,,Soms sta ik machteloos'' – het klinkt zwak, maar er zit kracht in. Je zegt dat er dingen gebeuren die zich niets aantrekken van alle streven en goede bedoelingen. Nou, dat is dan zo. Dan kunnen we nu ophouden met klagen, claimen en druk maken, en onze energie richten op wat ons in verantwoordelijkheid te doen staat, vandaag en op deze plek. ,,Ik sta machteloos; wat je vraagt kan ik niet leveren en ik ga niet doen alsof ik het wel kan'': misschien zijn dat woorden die ook de overheid af en toe, met mate, in de mond kan nemen. Tonnen richtlijnen en controles kunnen niet zorgen voor inspirerend onderwijs of genezende gezondheidszorg. Dat kunnen alleen leraren, artsen en verplegenden, en als die het niet kunnen dan gebeurt het niet.

,,Ik sta machteloos'' – het lijkt erop dat zelfs God het gezegd heeft. Sinds de dagen van het Oude Testament is hij opgehouden met controleren en sturend ingrijpen. Daar had hij ook geen goede ervaringen mee. Na zijn vertrek heeft hij ons achtergelaten met een aantal randvoorwaarden als energie, een gunstig klimaat, en levensdrift. Voor de rest is het aan ons: maken we er iets van, of niet.

Het blijft spannend, maar de boel draait nog steeds. En misschien wel juist omdat we weten dat we niet op controle of ingrepen van bovenaf hoeven te rekenen. Op ons komt het aan, het is een verbijsterend besef. En we zijn niet almachtig. Als het niet tot paniekverlamming leidt, is het een bron van kracht. Dat is de tweesprong waar we op staan.