Multiculturalisme én een anti-immigranten-partij

De aanslag van 11 september 2001 vormde de aanzet tot een radicale verandering in het publieke debat in Nederland. De val van de Twin Towers bewees het: de islam bedreigde de westerse beschaving. Aanvankelijk waren de reacties van politici en pers nog zeer gematigd. Men deed zijn uiterste best om een hetze tegen moslims te vermijden. Maar in die angstige maanden na 11 september zag Pim Fortuyn zijn kans schoon en mobiliseerde hij de anti-immigranten-kiezer met uitspraken als ,,Nederland is vol'' en ,,als ik het juridisch rond kon krijgen, zouden er geen moslims meer toegelaten worden''. De islam was in de ogen van veel Nederlanders een ,,achterlijke'' godsdienst. En dat moest maar eens gezegd worden.

De moord op Fortuyn beroofde een rechts anti-immigranten-electoraat van zijn prille politieke vertegenwoordiging, terwijl het publieke debat nu snel verhardde. Beledigingen werden een vast onderdeel van het politieke debat: ,,kut-Marokkanen'' (Rob Oudkerk), ,,Marokkaanse jongeren moeten worden gekielhaald'' (Tjalling Halbertsma), Moslims waren ,,geitenneukers'' (Theo van Gogh). Wie daar na de moord op Fortuyn nog iets van zei was een politiek correcte vertegenwoordiger van de `linkse kerk'. In die situatie werd de Somalische vluchtelinge Ayaan Hirsi Ali het boegbeeld van de strijd tegen de conservatieve en tot fundamentalisme geneigde islam, die haar op zijn beurt als een afvallige beschouwde.

Tot overmaat van ramp viel de verharding van de houding tegenover met name islamitische migranten samen met het uiteenvallen van etnische gemeenschappen. Wie lid is van een sterke gemeenschap of organisatie staat niet machteloos tegenover discriminatie en belediging. Een organisatie kan gemakkelijker naar de rechter stappen als de leden zich beledigd voelen door het woord `geitenneukers' en zou een grote kans maken een proces te winnen. Dat zou de leden van de moslimgemeenschap een gevoel van rechtsstatelijke bescherming hebben gegeven. Maar wie geïsoleerd staat beschikt vaak niet over de maatschappelijke vaardigheden om vreedzame stappen te ondernemen tegen discriminatie en belediging en kan gemakkelijk radicaliseren en slaat dan terug met andere middelen.

In een wereld waarin fundamentalisme, extremisme en terrorisme steeds meer oprukken, zullen die middelen steeds kwalijker worden. De moord op Theo van Gogh is niet het einde maar eerder het begin van een geweldsspiraal. Die heeft vooral een internationale dynamiek, maar ook een specifiek Nederlandse component.

Om uit die geweldsspiraal te komen, moeten er in Nederland twee schijnbaar tegenstrijdige dingen gebeuren. Allereerst moet de civiliserende kracht die in sterke etnische gemeenschappen besloten ligt, worden hersteld. Het proces van radicalisme naar extremisme kan daardoor misschien een halt worden toegeroepen. Dit betekent een terugkeer naar het multiculturalisme. Erkenning van groepsidentiteiten bevordert aantoonbaar de politieke integratie van immigranten en vermindert het sociale isolement van de radicale elementen in die gemeenschap. Het is geen toeval dat de moordenaar van Van Gogh geen enkele band had met de Marokkaanse gemeenschap, maar wél in het bestuur zat van twee Nederlandse welzijnsorganisaties. Mohammed B. had de tekenen van het rampzalige assimilatiebeleid van de huidige regering goed verstaan. En toch ging er iets vreselijk mis.

Had Nederland beschikt over een sterke afdeling van de Arabisch Europese Liga, dan was het misschien zover niet gekomen.

Ten tweede heeft dit land een grote behoefte aan een democratische anti-immigranten-partij. Dat wil zeggen, een partij die de grenzen van de rechtsstaat respecteert, in het debat de grenzen van fatsoen kent en niet oproept tot geweld. Andere partijen moeten een dergelijke partij niet isoleren. Geert Wilders lijkt vooralsnog de enige kandidaat (al beweert Michiel Smit van Nieuw Rechts dat hij ook voor zo'n positie in aanmerking komt). Of er zo'n partij komt, is moeilijk te zeggen. Uit kiezersonderzoek blijkt dat kiezers hoofdzakelijk stemmen op partijen waar ze het mee eens zijn én die ze als `machtig' percipiëren. Gezien de meer dan twintig zetels die Geert Wilders in de huidige opiniepeilingen scoort, lijken er genoeg mensen in Nederland te zijn die het met hem eens zijn. Of Geert Wilders ook als `machtig' gezien wordt, is echter nog niet duidelijk. Wilders zit niet in de regering, maar heeft veel invloed op het publieke debat. Of partijen met hem willen samenwerken, is nog onduidelijk en of hij een stabiele partij kan opbouwen is zeer de vraag. Hij loopt namelijk de kans om in dezelfde valkuil als de LPF terecht te komen. Want wie slechts met harde woorden kiezers mobiliseert, trekt een partijkader aan met weinig maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel. Een stabiele politieke partij heeft mensen nodig die bereid zijn compromissen te sluiten zowel binnen als buiten de partij.

De kiezer is niet gek: hij of zij zal op de langere termijn alleen stemmen op een partij die bewijst eigen zaken goed te regelen en die bewijst dit land te kunnen besturen. Nederland heeft geen behoefte aan een van boven opgelegde eenheid, maar aan een van onderop georganiseerde diversiteit.

Meindert Fennema en Jean Tillie zijn verbonden aan de Afdeling Politicologie, Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam.