`Ik geloof niet in oorlog, ik geloof alleen in een geslaagde oorlog' Napoleon A.

Er gebeurde nooit iets in Nederland.

De taptoe taptoede, sinterklaas sinterklaasde en eendere grijze wolken trokken over eendere woningen aan eendere straten.

Tot op zekere dag.

Tot de dag dat de koningin werd vermoord door de tot driemaal toe uitgeprocedeerde asielzoeker Napoleon A.

Een dag om nooit te vergeten. Evenmin als de dagen daarna, toen horribele details over de messteken in de kuiten van hare majesteit uitlekten. Er werden brandbommen gegooid naar asielzoekerscentra. Een paar wel heel hardleerse asielzoekers probeerden iets terug te doen door een vuurtje in het bevolkingsregister te stoken. De verontwaardiging was groot, diep en algemeen.

Even leek het of Nederland niet verder kon. Het uur van de waarheid, het armageddon. De nieuwe mens had zich aangediend. Velen waren de mening toegedaan dat zonder koningin Nederland in feite was opgeheven.

Maar in het duizendkoppige mediamonster zat goddank leven. In de eerste twee dagen al hadden minstens tweehonderd commentatoren, columnisten en gelegenheidscolumnisten hun diepe afschuw uitgesproken. Als het er niet driehonderd waren. Het aantal schrijvers van ingezonden brieven en deskundigen op het scherm was niet te tellen. Allemaal diepe afschuw.

Toen de eerste afschuw voorbij was kregen meer geluiden een kans. Had commentator die-en-die de moord wel afschuwelijk genoeg gevonden? Had columnist zus-en-zo zich niet al te raillerend uitgelaten? Had hij het ware kwaad wel onderkend?

Een week lang hield het gevecht tussen de columnisten en opiniemakers aan. Er vormden zich vleugels en splintergroepen. Kwaliteiten en tekortkomingen van collega's werden breed uitgemeten. Opiniemakers namen elkaar de maat.

Er doken nieuwe details over het moordwapen op. Iedereen was inmiddels zowel koningin als Napoleon A. vergeten en palaverde alleen nog over het mes. Waar kocht men zulke messen? Hadden zulke messen een diepere zin? Een verdwaalde grapjurk, die zich cabaretier noemde, probeerde nog het onderwerp van majesteits kuiten aan te snijden, maar hij werd weggehoond.

Toen kwam de columnist die verklaarde dat het gevecht tussen de columnisten onzin was geweest. Hij had de hele discussie persoonlijk kunnen voorspellen.

Even sloeg nog een binnenbrandje uit toen een stratenveger opstond om te beweren dat hij de koningin ook wel eens naar de maan had gewenst. Hoe konden stratenvegers zo ongevoelig zijn? Hoe was het mogelijk dat zo iemand nog nooit tegen de lamp was gelopen?

De minstens tweehonderd commentatoren traden weer aan. Hun gebeden werden opnieuw afgedraaid, maar dan korter. `Het komt omdat er te veel commissies zijn', sprak iemand. Inderdaad, sprak de regering, en benoemde een commissie om een onderzoek in te stellen naar het teveel aan commissies. Al snel verscheen de derde hond om er met het been vandoor te gaan.

Stilte, rust.

We moeten terug naar de gezelligheid, fluisterde iemand. Gezelligheid is goed voor Nederland. En onmiddellijk werden de rolgordijnen aan de grens neergelaten, men zette zich aan het nationaal dictee en de wolken legden zich op de republiek Nederland. Er leek niets gebeurd.

Tot op zekere dag.