Herinneringen aan de prins

Wanneer ik via de krant en televisie kennisneem van de confidenties van journalisten over hun omgang met prins Bernhard, dan kom ik tot de conclusie dat ik op minder vertrouwde voet met hem heb verkeerd. Trouwens: de eerste keren dat ik hem ontmoet heb, was ik geen journalist.

Dat was in het begin van de jaren '50. Ik was toen, door mijn krant uitgeleend aan Buitenlandse Zaken, werkzaam op het Nederlandse Informatiebureau te New York. De prins kwam daar vrij vaak op particulier bezoek, en bij die gelegenheden kwam ik hem wel eens tegen.

Na een paar van die ontmoetingen kreeg ik het idee hem op een besloten lunch kennis te laten maken met commentatoren van de New Yorkse pers. Die lunch was een groot succes en voor de genodigden een verrassing: niet alleen gedroeg de prins zich met een bijna onNederlands (maar ook on-Duits) gemak, maar bovendien bleek hij goed op de hoogte, vooral van militaire zaken (het was hartje Koude Oorlog). Bij een tweede lunch die ik, misschien een jaar later, voor hem gaf, lieten de gasten van de eerste lunch het niet afweten.

Intussen had ook het staatsbezoek plaatsgevonden dat koningin Juliana en prins Bernhard aan de Verenigde Staten hadden gebracht. Dit bezoek had mijn bureau publicistisch moeten voorbereiden en begeleiden. Tot tevredenheid van het paar blijkbaar, want ik kreeg uit handen van de prins een portret van beiden met handgeschreven dankbetuiging.

Aan die tevredenheid is het waarschijnlijk te danken dat ik in 1962 – ik was inmiddels naar Nederland en de krant teruggekeerd – door een vriend van de prins, een Rotterdamse reder, benaderd werd met de vraag of ik geneigd was de kort tevoren overleden dr. F.A. de Graaff op te volgen, die twaalf jaar secretaris van de prins was geweest.

In het gesprek dat ik met hem had, gaf deze tussenpersoon hoog op van het interessante werk dat mij, als ik op het aanbod zou ingaan, te wachten stond: reizen met de prins over de hele wereld, Bilderbergconferenties enz. Ik was niet lang daarvóór begonnen met de rubriek die ik nog steeds schrijf, waarin ik mij in volle vrijheid kon uiten, en had dus niet veel behoefte die in te ruilen voor een ondergeschikte positie, al was die nog zo goudgerand.

Die positie werd mij ook niet aantrekkelijker gemaakt, doordat ik te verstaan kreeg dat de prins niet uit was op een tweede De Graaff. Deze was zes jaar ouder dan de prins en directeur van een brouwerij geweest. Een zwaargewicht dus, die bovendien zich niet erg thuis moet hebben gevoeld in het gezelschap van 's prinsen roze champagne drinkende vrienden. Hoe dat ook zij – ik wees het aanbod af en een jonge zeeofficier werd benoemd.

Daarna heb ik de prins nog wel eens ontmoet op z'n minst drie keer (als ik me goed herinner), waarvan één keer op een Bilderbergconferentie, die hij voortreffelijk voorzat – totdat ik in 1979 een aanvaring met hem kreeg. Niet lijfelijk, maar par personnes interposées. Wat was het geval?

In dat jaar – nog geen drie jaar na de Lockheed-affaire beijverde een groep oud-marineofficieren zich om, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het Koninklijk Instituut in Den Helder, dit een portret van prins Berhard aan te bieden. Ik schreef toen dat ik dit merkwaardig vond, omdat in de krijgsmacht het begrip eer een belangrijke rol speelt, terwijl de prins in de Lockheed-affaire nu niet bepaald een eervolle rol had gespeeld.

,,Zou een bedrijf, als een van zijn directeuren zich aan malversaties schuldig had gemaakt, de man later eren met een portret in de directiekamer?'' vroeg ik. Het was het woord malversaties (waarvan ik de prins overigens niet direct beticht had) dat, om het zacht te zeggen, de prins in het verkeerde keelgat schoot. Op diverse manieren werd op mij druk uitgeoefend dit woord terug te nemen.

Ik deed dit niet – onder andere omdat een lid van het driemanschap dat in 1976 het rapport over de Lockheed-affaire had uitgebracht (hij had tevoren mijn artikel, ongevraagd, ,,moedig'' genoemd) mij, desgevraagd, had geschreven dat hij ,,geen moeite'' had met dit woord. De onthulling die de prins aan wijlen Martin van Amerongen heeft gedaan en waarvan wij eergisteren op de televisie kennis hebben kunnen nemen, heeft mij niet van gedachten doen veranderen.

Maar hoewel ik nog steeds van mening ben dat, zoals ik toen eveneens schreef, ,,de maatstaven waaraan een lid van het Koninklijk Huis moet voldoen, over het algemeen niet lager, maar eerder juist hoger (zijn) dan die welke voor de handel en wandel van gewone mensen worden aangelegd'', ben ik met de jaren wel wat milder geworden.

In de eerste plaats ben ik ervan overtuigd geraakt dat de functie van prinsgemaal er een is die je je ergste vijand niet zou toewensen. Zij vraagt als 't ware om excursies op verboden terrein of om depressies. Bovendien waren de bevlogen, maar verlegen Juliana en de no nonsense man van de wereld Bernhard moeilijk compatibele persoonlijkheden. Als ergens het woord held op Bernhard toepasselijk is, dan hier (al waren er compensaties).

Maar Bernhards reactie was niet de enige die ik op dat artikel kreeg. Natuurlijk in de eerste plaats de gebruikelijke brieven van hen die van een lid van het koninklijk huis geen kwaad willen weten of, als dit niet te ontkennen valt, het verzwegen willen zien. Maar ook andere, meestal van mensen die met de prins gewerkt hadden, in Londen of elders. De teneur van die brieven was over 't algemeen deze: ja, hij heeft fouten gemaakt, maar het is zo'n fantastische man. De loyaliteit van zo velen weten te winnen en behouden, is geen geringe gave.

Daarna werd het lange jaren weer stil tussen de prins en mij. Totdat ik begin 1993 een uitnodiging kreeg om de 75ste verjaardag van een gemeenschappelijke vriend op Soestdijk te komen vieren. We waren met een man of vijf, zes op de kamer van de prins. Het was een ongedwongen, bijna hilarische bijeenkomst.

Lachend herinnerde de prins aan de kenschets die iemand in 1939 van hem gegeven had: ein leichter Vogel – heel goed wetend dat ik in nauwe betrekking tot de auteur van die uitspraak had gestaan. Een sportieve man dus.

De kwestie van `malversaties' bracht hij niet op het tapijt. Alleen nam hij bij het afscheid nemen mij even apart. Over dat artikel van jou (van veertien jaar daarvóór dus) moeten we toch nog eens praten, zei hij. Zeker, Koninklijke Hoogheid, zei ik, any time, maar dit lijkt me niet de juiste gelegenheid. Daar was hij het mee eens.

Het zou mij niet verrast hebben als hij de dagen daarna mij had opgebeld voor zo'n gesprek, dat ik dan niet had kunnen ontwijken. Maar het gebeurde niet. Dat was dus mijn afscheid van de prins geweest. Hij was er niet op uit zijn gram te halen. Toch een fidele kerel.