Wie van prins geen kwaad wil weten, tast rechtsnormen aan

Op 2 september 1976 schreef toenmalig staatssecretaris van Volkshuisvesting Marcel van Dam een brief aan premier Den Uyl waarin hij zijn gedachten over prins Bernhard en de gevolgen van de Lockheed-affaire uiteenzette. Volgens Van Dam was toenmalig premier Den Uyl, die de brief doorstuurde naar de koningin, het op onderdelen eens met dit pleidooi voor een integere overheid.

Beste Joop,

Ten vervolge op het gesprek dat wij op zaterdag 28 augustus j.l. bij mij thuis hadden wil ik op papier nog eens uiteenzetten waarom ik aan de affaire rond Prins Bernhard zo zwaar til.

Ik realiseer me dat mijn reactie in de eerste dagen na het verschijnen van het rapport Donner c.s. nogal emotioneel was. Daarbij moet je echter bedenken dat mijn collega's en ik er plotseling mee werden geconfronteerd, terwijl jij en anderen al geruime tijd met de zaak bezig waren.

Dat ik de zaak nu meer rationeel benader, heeft echter niet tot gevolg gehad dat ik mijn oordeel over de essentie van de zaak heb herzien. Wel ben ik tot een andere politieke afweging gekomen, maar nog nooit in mijn leven heeft dat zoveel vertwijfeling teweeggebracht als bij deze zaak. En eerlijk gezegd werd die vertwijfeling weer sterker, nadat ik het Kamerdebat had gevolgd van j.l. maandag, 30 augustus.

Naar mijn stellige overtuiging worden de konsekwenties van hetgeen is gebeurd door de Kamer onderschat en was men maar al te blij dat men kon onderduiken in de liefde voor de Koningin, die overigens ook door mij hooglijk wordt gewaardeerd.

Waarom is de zaak nu zo belangrijk en waarom zijn naar mijn opvatting de conclusies van de Regering onvoldoende?

Dienaren van de overheid moeten onkreukbaar zijn. In de eerste plaats vanwege de hoge morele maatstaven die aan een rechtstaat ten grondslag dienen te liggen. De mens is weliswaar tot het goede bestemd, maar tot het kwade geneigd en de betekenis van de ontwikkeling van de rechtstaat is nu juist dat ons volk, ondanks het menselijk tekort er in is geslaagd, in zijn beste momenten een parapluie van normen op te steken, waaronder iedereen, en met name de zwakste, betrekkelijk veilig is voor de linkmiezels voor wie begrippen als recht en rechtvaardigheid uitsluitend in de studeerkamer thuis horen. Je hoeft maar een beetje over de wereld gereisd te hebben om te weten wat een pestilentie corruptie bij de overheid voor een land is.

Behalve op grond van morele maatstaven is een onkreukbare overheid echter ook essentieel voor een goed functioneren van de samenleving in een meer sociale zin. Want op grond van die morele maatstaven dient de overheid een publieke moraal te bevorderen als gevolg waarvan de burgers hun verplichtingen ten aanzien van de gemeenschap en ten aanzien van hun medeburgers correct nakomen. Iedereen die dat verplicht is moet belasting betalen en niemand die daartoe niet gerechtigd is mag van gemeenschappelijke voorzieningen profiteren. De overheid zal de burgers daar telkens van moeten doordringen en zonodig, d.m.v. sancties, nakoming van deze verplichtingen moeten afdwingen. Hoe kan de overheid daarbij haar geloofwaardigheid behouden als zij zelf ten aanzien van hen die aan ons staatsbestel leiding geven of daar een belangrijke rol in spelen andere maatstaven aanlegt? Sterker nog, als de echtgenoot van het staatshoofd, die blijk heeft gegeven de strikte normen van onkreukbaarheid niet in ere te hebben gehouden, en, het is treurig het te moeten constateren, ook tijdens het onderzoek van de Commissie van Drie onvoldoende blijk heeft gegeven het belang van de normen van onkreukbaarheid op hun juiste waarde te schatten, op belangrijke momenten van ons staatkundig leven naar buiten zal treden en de eerbewijzen zal ontvangen die onverbrekelijk aan die momenten zijn verbonden. Vergis je niet in het effect daarvan. Ik kan me gruwelijk ergeren aan de mensen die nu zeggen dat de Prins in een wereld leefde waar de verleidingen zo groot waren en dat we daarom begrip moeten hebben.

De verleidingen van de gewone burger om zijn belastingformulier niet helemaal eerlijk in te vullen, geen B.T.W. in rekening te brengen en af te dragen, geen sociale premies te betalen, ten onrechte een uitkering op te strijken, enz. enz. zijn veel groter en doen zich vaker voor. Wordt aan die verleidingen te veel toegegeven, en het gebeurt helaas al te vaak, dan worden de fundamenten voor een rechtvaardige samenleving aangetast.

Mijn opvatting dat de Prins net zo behandeld moet worden als anderen van wie gelijksoortige feiten bekend zijn geworden, komt dus niet alleen voort uit geloof in het beginsel van gelijkheid van rechtsbedeling. Dat beginsel moet zeer zwaar wegen.

Maar in dit geval doet zich de bijzondere omstandigheid voor dat het gaat om iemand die door veel mensen wordt geïdentificeerd met ons stelsel van rechtsnormen als zodanig.

De Koningin is voor zeer velen in zekere zin het symbool van een rechtvaardige samenleving (er wordt ook recht gesproken in naam der Koningin) en de echtgenoot van het staatshoofd is onderdeel van die symboliek.

Het is niet zo makkelijk om uit te leggen, maar het komt er eigenlijk op neer dat ik niet zozeer bang ben voor de reactie bij de burgers dat de Prins gespaard is in vergelijking met anderen, maar juist voor het omgekeerde, n.l. omdat het de echtgenoot van het staatshoofd is die er andere normen van onkreukbaarheid op na houdt, en men van de Prins geen kwaad wil weten, moeten het wel de normen van onkreukbaarheid zijn die niet deugen.

Het lijkt een gedachtenspinsel, maar dit soort sociaal psychologische processen zijn legio. Nadat Kennedy in een schommelstoel op de T.V. was geïnterviewd, ontstond er een hausse in de verkoop van schommelstoelen. Dit leidt tot de conclusie dat, juist omdat de Koningin en haar huis zo in aanzien staat, de Prins zoveel mogelijk moet terugtreden uit het openbare leven en niet alleen uit een aantal posities die tot een verwarring van functies en belangen hebben geleid of zouden kunnen leiden.

Nu er is afgezien van een strafrechtelijk onderzoek is dit te meer noodzakelijk en ik zou je dan ook dringend willen adviseren zodanige regelingen te treffen dat in elk geval iedere handeling van de Prins die geen privé-karakter heeft en ieder publiek optreden tevoren kan worden getoetst aan de ministeriële verantwoordelijkheid.

Een vergaand terugtreden van de Prins uit publieke activiteiten en een voorafgaande toetsing van die activiteiten aan de ministeriële verantwoordelijkheid, is ook om een andere reden van grote betekenis. De Commissie van Drie had een beperkte opdracht.

Hoewel dat niet is te hopen, moet niet uitgesloten worden geacht dat, mede naar aanleiding van de feiten die door de Commissie van Drie zijn vastgesteld en vervolgens openbaar zijn gemaakt, nieuwe feiten of verklaringen bekend worden, hetzij over de materie die in het rapport werd behandeld, hetzij over zaken die niet binnen de taakopdracht van de Commissie van Drie vielen.

De neiging van b.v. publiciteitsmedia om op onderzoek uit te gaan wordt m.i. groter naarmate de Prins meer naar buiten optreedt, en dat is de pers niet te verwijten.

Nog sterker zal in die omstandigheid de neiging zijn tot roddel, spitten in het privé leven, insinueren en het verzinnen van feiten. Dat is de pers, of een deel daarvan, wel te verwijten maar het is niet te voorkomen.

Wat er ook aan het licht komt, en wat er ook gelasterd wordt, het Kabinet zal telkens de vraag hebben te beantwoorden of een nieuw onderzoek moet worden ingesteld. Iedere beslissing terzake zal bij een groot deel van het volk op weerstand stuiten. Wel een nieuw onderzoek betekent voor velen dat het Kabinet koste wat kost de Prins (nog verder) wil vernederen. Geen nieuw onderzoek betekent voor veel anderen dat de Prins koste wat kost moet worden gespaard. Hoe je het ook wendt of keert, de positie van het Huis van Oranje en het Kabinet is er zeer mee gediend als de regering zou besluiten tot een vergaand terugtreden van de Prins uit publieke activiteiten.

Overigens heb ik het zeer op prijs gesteld dat je de tijd hebt vrijgemaakt voor een serieus gesprek over de hele kwestie.

Met vriendelijke groet,

Marcel van Dam

Drs. M.P.A. van Dam was tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-1977) staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.