Verplicht inburgeren

Inburgering vereist ,,wederzijdse aanpassing'' zei minister Donner (Justitie, CDA) ooit, maar bij zijn collega proxima Verdonk (integratiebeleid, VVD) ontpopt dit proces zich steeds meer als een hindernisloop. Die begint bij de geplande preventieve inburgeringstoets. Nieuwkomers in spe moeten in het buitenland zelf al het nodige ondernemen willen zij in aanmerking komen voor toelating. Dat is een lastige eis, want Nederland is zelf toch de meest natuurlijke leeromgeving. Zeker omdat volgens Verdonk niet alleen de taal, maar ook kennis van de samenleving en praktische vaardigheden vooropstaan in het inburgeringsproces.

Een speciale adviescommissie van de minister zette openlijk vraagtekens bij de infrastructurele en logistieke investeringen die inburgering in het buitenland meebrengt. Verdonk was daar gauw klaar mee: er is voldoende lesmateriaal beschikbaar, de cursist betaalt en laat verder de markt zijn werk doen. De Raad van State waarschuwde echter dat de overheid niet zo makkelijk onder haar verantwoordelijkheid uitkomt. Een reden deze waarschuwing serieus te nemen vormt het internationaal gegarandeerde recht op een familieleven. Dit omvat een aanspraak op gezinshereniging en gezinsvorming. Zeker in het geval van vreemdelingen die op grond van dit recht hierheen willen komen, mogen best eisen worden gesteld. Maar onmogelijk mag het hun niet worden gemaakt. Wat bijvoorbeeld te doen met buitenlandse analfabeten? Zij kunnen de instructies in hun eigen taal al niet lezen. Dit is geen denkbeeldig probleem, zo blijkt dagelijks in het onderwijs aan volwassenen in Nederland zelf. Ook hiermee was Verdonk gauw klaar. Haar wetsvoorstel inburgering in het buitenland kent een telefonische toets. Dat is opmerkelijk, want in het geval van de toets bij naturalisering tot Nederlander, waar analfabeten ook een probleem zijn, wees zij een mondeling examen af omdat dit niet objectief genoeg zou zijn. Wat is het verschil tussen een mondelinge toets en een telefoontoets?

De Adviescommissie voor vreemdelingenzaken kwam met een nieuw juridisch obstakel: het grondwettelijke (en internationale) gelijkheidsbeginsel. Dat verbiedt onderscheid naar geboorteplaats of zelfs de datum van naturalisatie. Het oorspronkelijke criterium van Verdonk voor inburgering, `geboren buiten de EU', is dan ook onhoudbaar. Zeker omdat het nieuwe inburgeringsstelsel zowel geldt voor nieuwkomers als oudkomers. De commissie zoekt de oplossing in een inburgeringsplicht die geldt voor iedereen (ook Nederlanders) die niet acht jaar van zijn leerplichtige leeftijd legaal in ons land heeft doorgebracht.

Verdonk heeft het nieuwe criterium snel overgenomen, maar beter maakt zij het daar niet mee. Het is één ding om inburgeringseisen te stellen aan buitenlanders die toelating vragen. Maar het is een andere zaak om vreemdelingen die hier al geruime tijd legaal verblijven, of genaturaliseerd zijn, op herexamen te sturen. Het inburgeringsonderwijs worstelt trouwens nu al met oudkomers – en omgekeerd (denk aan de analfabeten). Dat de achtjaareis ook aan geboren Nederlanders wordt gesteld is in elk geval niet goed voor de public relations van de minister. In de praktijk zal het om zulke kleine aantallen gaan dat de gelijkheid die deze eis heet te dienen slechts een vijgenblad is. Kern van de zaak is dat met terugwerkende kracht een eis wordt gesteld aan nieuwe Nederlanders die zij tijdens hun wettige toelating niet konden of hoefden te verwachten. Al was het alleen omdat geen ander Europees land dit nog heeft bedacht.

Vreemdelingen kan men de toegang weigeren als ze de nieuwe toets niet halen. En dat zal al een hele toer worden. Voor ingezetenen is er alleen een sanctie als ze een uitkering hebben. Hou het daar dan ook voorlopig bij en haal niet alles overhoop. De moeilijkheid met Verdonk is dat zij te veel ineens wil. Met haar inzet voor inburgering is weinig mis. Met haar inzicht des te meer.