Levering chemicaliën was niet verboden

Veel bedrijven, zowel Nederlandse als buitenlandse, leverden chemicaliën aan Irak voor gifgassen. Niemand geloofde dat het land ze werkelijk zou gebruiken.

De gisteren aangehouden Frans van A. was zeker niet de enige die in de jaren tachtig Irak en Iran voorzag van grondstoffen voor de productie van chemische wapens. De bedrijven Melchemie in Arnhem en KBS Holland in Terneuzen deden het ook. Melchemie leverde tal van chemicaliën waaruit zenuwgas is te bereiden, KBS leverde, zoals Van A., vele tonnen thiodiglycol, een grondstof voor mosterdgas.

Aangenomen kan worden dat andere Europese landen al evenzeer chemicaliën leverden aan staten waarvan misbruik te vrezen viel. Op leveringen aan Libië en Syrië door Duitse bedrijven, soms van complete installaties, was in die tijd veel kritiek. Maar tot aan het jaar 1984 was er niet veel aandacht voor het mogelijk misbruik van grondstoffen voor gifgassen, omdat er sinds de jaren dertig geen gifgassen meer in oorlogen waren ingezet. Het gebruik van de gassen gold als onmenselijk en later zelfs als onvoorstelbaar.

De inzet van gifgassen en biologische middelen was al in 1925 in het protocol van Genève verboden verklaard en bijna alle beschaafde staten hadden zich daarbij aangesloten. Maar ontwikkeling en productie van gifgassen was niet verboden. Een land als de VS heeft dan ook zoveel zenuwgas geproduceerd, dat het de voorraad nu nog niet vernietigd heeft. Nederland had tot 1938 een proeffabriek voor mosterdgas bij Zaandam.

In het jaar 1984 ontstond na een speciaal onderzoek van de VN de zekerheid dat in de oorlog tussen Iran en Irak gifgassen werden gebruikt. Aanvankelijk was de indruk dat het alleen om het blaartrekkende en verstikkende mosterdgas ging, later bleken ook de nagenoeg acuut dodelijke zenuwgassen te worden gebruikt.

Vanaf dat moment hebben veel staten beperkingen opgelegd aan de export van `gevoelige' chemicaliën naar conflictgebieden. Nederland paste een besluit van de `In- en uitvoerwet' zó aan dat export van bijvoorbeeld thiodiglycol zonder speciale vergunning vanaf februari 1985 strafbaar was.

Een groep gelijkgestemde landen, later de `Australië Groep' genoemd, kwam in de zomer van 1985 bijeen om uniformiteit te brengen in de lijst van vergunningplichtige chemicaliën. Die lijst was al in concept voorhanden, omdat sinds 1972 werd gewerkt aan een Conventie tegen chemische wapens. De Nederlander dr. A.J.J. Ooms, destijds directeur van TNO's Prins Maurits Laboratorium, had daarbij een belangrijke rol gespeeld.

In de jaren na 1985 zijn de bij de Australië Groep aangesloten landen regels gaan opstellen voor het eisen van vergunningen en eindgebruikersverklaringen bij export van vele tientallen chemicaliën. De gehanteerde lijst is voortdurend aangepast. Het fundamentele probleem is dat veel van de gevoelige chemicaliën ook een volstrekt onschuldige toepassing kennen. Ze zijn, zoals dat heet, `dual use'-goederen. Thiodiglycol is bijvoorbeeld een oplosmiddel voor balpeninkt.

De genoemde Conventie is er uiteindelijk in 1993 gekomen, zij is sinds 1997 van kracht en hanteert ruwweg dezelfde lijst als de Australië Groep. Landen die de conventie hebben getekend mogen bepaalde chemicaliën niet meer produceren en zijn verplicht inspecties toe te laten.

In de periode waarin Frans van A. betrokken was bij de handel in chemicaliën gold nog uitsluitend de nationale wetgeving die op vrijblijvend advies van de informele Australië Groep was opgesteld. KBS in Terneuzen leverde Irak 500 ton thiodiglycol in 1983, toen dat nog niet verboden was. Toen in 1984 een nieuwe bestelling binnenkwam, zag het bedrijf, na informatie te hebben ingewonnen bij TNO en de overheid, af van levering. Melchemie in Arnhem leverde Irak in 1984 grondstoffen voor zenuwgas waarvan een groot deel (zoals thionylchloride) nog niet verboden was, maar een kleiner deel (fosforoxychloride) wel. Voor dat laatste is het bedrijf in 1985 vervolgd en later beboet.

Frans van A. liet het thiodiglycol dat in de VS bij Alcolac in Baltimore werd geproduceerd naar eigen zeggen via Antwerpen naar Irak vervoeren. Als de stof nooit fysiek in Nederland is geweest en als ook de financiële afwikkeling van de transactie niet via Nederland liep, heeft de Nederlandse wetgever geen middel om op te treden, aldus een woordvoerder van Economische Zaken. Dat verandert als de stof wel door Rotterdam ging.

De nieuwe aanpak van het ministerie van Justitie, die een aanklacht baseert op het genocideverdrag, kan dit beeld veranderen.