Kritiek Van Dam op prins bereikte Juliana

Prins Bernhard moet ,,zoveel mogelijk terugtreden uit het openbare leven''. ,,Iedere handeling van de Prins die geen privé-karakter heeft en ieder publiek optreden [moet] tevoren worden getoetst aan de ministeriële verantwoordelijkheid.'' Dat schreef in 1976 toenmalig staatssecretaris Marcel van Dam (Volkshuisvesting, PvdA) aan premier Den Uyl. Deze stuurde de brief door aan koningin Juliana, volgens Van Dam omdat de toenmalige premier het ,,op onderdelen eens was met mijn benadering''. De brief bevat een pleidooi voor een integere overheid.

Van Dam wilde destijds aftreden, maar liet zich van dat plan afbrengen door Den Uyl, onder meer om geen constitutionele crisis te veroorzaken. Daarna herschreef hij zijn ontslagbrief tot de tekst die Den Uyl doorstuurde naar het paleis en die vandaag in deze krant staat. De brief is afkomstig uit het archief-Den Uyl en was tot nu toe onbekend. Van Dam zegt de brief in de openbaarheid te brengen uit ergernis over een uitlating van Kamervoorzitter Weisglas, die het handelen van Bernhard in de Lockheed-kwestie deze week betitelde als ,,onvoorzichtigheid''.

In de brief die Van Dam destijds stuurde, schrijft hij over corruptie bij de overheid en fulmineert hij tegen ,,de linkmiezels voor wie begrippen als recht en rechtvaardigheid uitsluitend in de studeerkamer thuis horen''. In de Lockheed-affaire werd Bernhard beschuldigd van het ontvangen van smeergeld van een Amerikaanse vliegtuigfabriek.

De zogenoemde Commissie van Drie stelde achteraf vast dat de prins ,,lichtvaardig'' handelde, dat er dubieuze geldstromen naar ,,de omgeving'' van de prins liepen, dat hij zich ,,toegankelijk had getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen''. Hij had zich laten verleiden tot ,,initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren''.

Van Dam vond destijds dat de prins ,,net zo behandeld moet worden als anderen van wie gelijksoortige feiten bekend zijn geworden''. In zijn brief spreekt hij onomwonden van de ,,pestilentie'' van corruptie bij de overheid.

Brief Van Dam: pagina 8