De rode gloed van ondervoeding

Schoolvoeding kan ondervoeding helpen verminderen. Als geleerd wordt van de proefprojecten. Anders is het ,,weggegooid geld''.

Schoolvoeding is waarschijnlijk net zo oud als hongerbestrijding. Zeg als Afrikaanse regering tegen een hulporganisatie dat een deel van je bevolking ondervoed is, en de hulpverlener diept meteen een standaardprogramma uit zijn diplomatenkoffer. Wie gunt kinderen niet ten minste een voedzame maaltijd per dag? Krijgen ze die in een kinderdagverblijf of op school, komt dat ook nog eens hun alfabetisering ten goede. Maar werken die programma's.

Die vraag is actueel omdat schoolvoeding een onderdeel vormt van het tweesporenbeleid dat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) vandaag in haar hongerrapport bepleit om de honger in de wereld te bestrijden. Ze baseert zich daarbij op het actieplan dat een speciale werkgroep van de VN heeft opgesteld om het aantal hongerenden voor 2015 te halveren. Dat actieplan zal volgend jaar september tijdens een speciale algemene vergadering van de Verenigde Naties door alle regeringsleiders als basis voor beleid worden aanvaard.

Daarop vooruitlopend heeft het Afrikaanse ontwikkelingsinitiatief NEPAD (New Economic Partnership for African Development) al een samenwerkingsprogramma gesloten met het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde Naties. Ghana en Oeganda spelen een voortrekkersrol. Oeganda gaat de komende vijf jaar 2,5 miljoen scholieren in de armste districten voeden, Ghana een miljoen.

Over de noodzaak van ingrijpen bestaat geen twijfel, zei prof. Wiseman Nkuhlu, hoofd van het NEPAD-secretariaat bij de presentaties van de schoolvoedingsprogramma's. ,,Afrika is het enige continent waar de voedselproductie per hoofd van de bevolking de afgelopen veertig jaar gedaald is. Een op de drie Afrikanen lijdt honger. Tweehonderd miljoen mensen zijn ondervoed.''

Maar leidt schoolvoeding werkelijk tot een blijvende vermindering van ondervoeding? Abenaa Boateng geeft daarop niet rechtstreeks antwoord. Ze heeft deel uitgemaakt van de speciale hongerwerkgroep van de Verenigde Naties. In het gezelschap van academici, hulpverleners, parlementariers, landbouwspecialisten en ondernemers was zij een van de weinigen die de ondervoeding van dichtbij kennen. Ze werkt als voedingsdeskundige voor het Ghanese ministerie voor Volksgezondheid in de regio Ashanti. Ze is vaker op het platteland dan achter haar bureau te vinden. Hongerbestrijding ziet ze als haar levenstaak.

Abenaa Boateng nodigt uit tot vergelijkend warenonderzoek. Eerst een project dat het Wereldvoedselprogramma na tien jaar heeft beëindigd. Het gebouw dat speciaal is neergezet voor de opvang van kinderen tussen de anderhalf en vijf jaar, staat er nog, in het stoffige stadje Adidwan in het centrum van Ghana. Keuken en wc's zijn al niet meer te gebruiken. Een plaatselijke kerk heeft een middelbare scholiere ingehuurd om het programma draaiende te houden maar die last gaat haar draagkracht zichtbaar te boven. Onder een boom liggen de ingrediënten voor de schoollunch: een stukje vis, wat yam, vier tomaten. Niet genoeg om 45 kinderen een volwaardige maaltijd voor te zetten. Veel van de kleintjes zijn te klein en te licht voor hun leeftijd. Over hun korte kroeshaar hangt de rode gloed van ondervoeding.

Als tweede een project in Sekeydomase, op een klein uur rijden van Adidwan. In 1993 door Boateng begonnen maar die overheidssteun is al jaren geleden gestopt. Een lokale vrouwengroep van 160 maiskwekers houdt het programma gaande. De districtsraad betaalt twee onderwijzeressen, een met krulspelden in het haar en een met een kind op de rug. Binnen in de smetteloze lokalen zingen de 77 kinderen of ze declameren de letters van het alfabet. Buiten onder een afdak ligt er voedsel in overvloed. Vier procent van de kinderen is ondervoed tegen landelijk dertig procent.

De boodschap van Boateng is duidelijk: schoolvoeding is geen tovermedicijn. De meerderheid van de programma's sorteert geen enkel blijvend effect. Een organisatie komt met geld en voedsel, zegt Boateng. En zogauw ze vertrekt, stort het programma in.

Je hebt ook programma's die werken, zegt Boateng. Dat zijn programma's die zich richten op vrouwen. Want het zijn vrouwen die zorgen voor de gewassen. En het zijn vrouwen die zorgen voor het huishouden. Het zijn vrouwen die verantwoordelijk zijn voor de voeding van hun kinderen. Maar daar hebben ze weinig tijd voor. Ze zijn overbelast.

Dus moet je die vrouwen tegemoet komen, zegt Boateng. Je moet ze helpen de landbouwproductie te verhogen, bij voorbeeld door ze beter zaad te geven. ,,Als ze geld hebben, zijn ze eerder geneigd om te luisteren naar adviezen over voeding. Volwassenen denken niet aan kinderen zolang hun eigen basisbehoeften niet bevredigd zijn.'' En dan moet je zorgen dat ze toegang krijgen tot schoon water. Ze moeten scholing krijgen in gezondheidszaken en voedingsleer. En je moet natuurlijk de hele gemeenschap bij het project betrekken. Zodat de gemeenschap het programma uiteindelijk draaiend houdt. Omdat het in het belang van de gemeenschap is.

Maar de meeste Afrikaanse overheden hebben voor zo'n intensieve aanpak geen geduld, zegt Boatang. ,,Ze werken niet planmatig. Ze accepteren elk aanbod van buitenlandse organisaties. Zolang er maar ontwikkelingsgeld binnenkomt, moet het wel goed voor het land zijn. Zo redeneren ze. Maar het is vaak weggegooid geld.''

Volgens Boateng is aan de hand van geslaagde Afrikaanse proefprojecten heel goed vast te stellen waaraan een effectief schoolvoedingsprogramma moet voldoen. Maar veel van die ervaringen zijn niet goed gedocumenteerd. De opgedane kennis heeft nergens in Afrika tot een succesvolle grootschalige aanpak geleid.

Ze twijfelt niet aan de aanbevelingen van de VN-hongerwerkgroep, allemaal beproefde methoden voor hongerbestrijding. Ze heeft alleen niet veel vertrouwen in de uitvoering door Afrikaanse regeringen. ,,Ze ondertekenen alle VN-verklaringen maar ze handelen er toch niet naar. Hongerbestrijding is tot nu toe altijd stukgelopen op de vertaling in actie.''