China koopt met IBM meer status

De Chinese computerfabrikant Lenovo koopt de pc-divisie van IBM. China zet een nieuwe stap op weg naar de status van economische grootmacht.

De grootste Chinese computerproducent, Lenovo, en het Amerikaanse IBM hebben gisteravond bekendgemaakt dat de pc-divisie van IBM overgaat in Chinese handen. En dat is niet alleen voor de Engelstalige Chinese krant de China Daily voorpaginanieuws. De overname, groot nieuws in de hele wereld, zegt veel over de kentering die plaatsvindt in de relatie van China met Amerika en de rest van de wereld.

Elke Chinees kent de naam Lenovo. Langs alle snelwegen zie je enorme reclameborden voor de grootste computermaker van China, en veel mensen hebben zelf een Lenovo-computer in huis. Toch waren er tot vandaag buiten China maar weinig mensen te vinden die ooit van deze Chinese elektronicagigant hadden gehoord. Daar is nu voorgoed verandering in gekomen.

Terwijl de industriële reus IBM, een van de grote symbolen van het Amerikaanse kapitalisme, in de jaren tachtig met weinig succes voet aan de grond probeerde te krijgen in China, krijgt Lenovo nu omgekeerd de kans om te proberen

de Amerikaanse markt te veroveren.

,,Het is onze onwankelbare bedoeling geweest om een waarlijk internationaal bedrijf te scheppen'', verklaart Lenovo's bestuursvoorzitter Liu Chuanzhi vandaag in China Daily. Lenovo wil daarbij gebruikmaken van de goede naam, de technische kennis en het distributienetwerk van IBM.

Lenovo's actie komt niet uit de lucht vallen. Het is binnen de Chinese context ondenkbaar dat een groot bedrijf als Lenovo, dat bovendien deels in handen is van de officieel nog steeds communistische staat, zelfstandig de beslissing zou kunnen nemen om IBM te kopen zonder dat daarvoor op het hoogste regeringsniveau toestemming is verleend.

Dat maakt de overname extra betekenisvol. China stimuleert de laatste jaren niet alleen dat zijn grote bedrijven uitgroeien tot multinationals, maar het land volgt daarbij nu ook een specifieke, agressieve strategie. Daarbij wil het niet de lange en moeizame weg bewandelen van het opbouwen van naamsbekendheid voor Chinese producten.

China wil via het opkopen van verlieslijdende westerse bedrijven snel en relatief goedkoop de kennis, het distributienetwerk en vooral de goede naam van westerse bedrijven inzetten voor een grote expansie – in Europa en Amerika. In armere landen met kleinere winstmarges blijven de Chinese bedrijven intussen goedkopere producten onder eigen merk leveren.

Dat de overname van de IBM pc-divisie door Lenovo geen incident is, maar juist het uitvloeisel van een nieuwe Chinese politiek, blijkt ook uit de bekendmaking vorige maand dat het verliesgevende Britse automerk Rover goeddeels door een Chinese autoproducent wordt overgenomen.

Deze nieuwe trend lijkt voorzichtig in gang te zijn gezet door de Chinese elektronicagigant TCL. Deze kocht in 2002 de failliete Duitse televisiemaker Schneider op. En in 2004 kocht TCL een deel van de ook al met grote verliezen kampende Franse televisiemaker Thomson. [Vervolg CHINA: pagina 19]

CHINA

Nieuwe stap naar economische supermacht

[Vervolg van pagina 1] China heeft daarmee een nieuwe stap gezet op een weg die uiteindelijk moet leiden tot de stevige verankering van China als economische, en daarmee verbonden ook politieke en militaire supermacht.

China is inmiddels een stuk meer internationaal gericht geworden dan nog maar een paar jaar geleden. Toen was het voor Chinese bedrijven vrijwel onmogelijk om te internationaliseren, want de overheid stond dat nauwelijks toe.

China kan de internationale expansie inmiddels betalen omdat het land jarenlang heel veel verdiend heeft aan de export. Vooral in de handel met Amerika heeft China al heel lang een groot handelsoverschot, en het geld dat de Amerikaanse consument de laatste jaren boven zijn budget heeft uitgegeven aan goedkope Chinese consumptiegoederen, heeft China zuinig bij elkaar gespaard om er nieuwe machines en technologie van te kopen om zo producten te kunnen maken met een steeds hogere toegevoegde waarde. Nu heeft het land genoeg geld verdiend om zich in te kopen in een internationaal gerenommeerd bedrijf als IBM. Daarmee verliest Amerika niet alleen zijn geld aan China, maar ook zijn industrie.

China toont daarbij het nodige lef. Het durft de vrij riskante strategie aan om niet alleen de onderkant van de internationale markt, maar ook het midden- en topsegment van de Europese en Amerikaanse markt voor zich op te eisen. De Chinese bedrijven lopen wel de kans hun in China gemaakte winsten al te lang te moeten steken in het betalen van de verliezen die hun relatief goedkoop ingekochte topmerken op de Europese en Amerikaanse markt maken.

China's streven naar het betreden van de Europese en Amerikaanse markt heeft ook een binnenlandse oorzaak. Het is allang niet meer zo dat je in China alles kunt verkopen wat er maar te produceren valt, veel markten raken aardig verzadigd en juist op het gebied van elektronica is er sprake van een felle prijsconcurrentie.

China's streven naar expansie op de Europese en Amerikaanse markt en de bedrijfsovernames die China daarbij doet, worden niet overal even enthousiast ontvangen. Toen een consortium van Chinese maatsbedrijven onlangs zijn zinnen zette op de aankoop van Canada's grootse mijnbouwbedrijf Noranda, wierp de Canadese krant de National Post de vraag op of het wel zo wenselijk is dat een Chinees staatsbedrijf zo één van de grootste werkgevers in Canada zou worden. Zou Canada zich daarna nog wel vrij voelen om ongezouten kritiek te leveren op China's mensenrechtenbeleid, bijvoorbeeld? Nu al is de kritiek op China's mensenrechtenbeleid goeddeels verstomd, niet omdat het daarmee zoveel beter gesteld zou zijn, maar omdat de economische verstrengeling van het westen met China te innig is geworden. Het westen durft zich die kritiek eenvoudigweg niet meer te veroorloven.