Zorgen bij OESO over verschil witte en zwarte scholen

Nederlandse scholieren doen het goed, vergeleken met andere landen. Maar de verschillen in prestaties tussen witte en zwarte scholen nemen toe.

,,We zijn op de goede weg'', was vanmorgen de eerste reactie van minister Van der Hoeven (CDA, Onderwijs) op het vandaag gepresenteerde rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Na een test van 250.000 scholieren in een groot aantal landen landen blijken Nederlandse scholieren op het gebied van wiskunde, natuurwetenschappen en lezen tot de beste van de wereld te behoren. Van der Hoeven laat via haar woordvoerder weten trots te zijn op ,,onze leraren die voor dit mooie resultaat hebben gezorgd''.

Met dit resultaat lijkt Nederland een goede positie in met name bèta-onderwijs te handhaven. Al vier jaar geleden belandde Nederland in een andere internationale vergelijking, de Third International Mathematics and Science Study, bij het wiskunde-onderwijs op een zevende plaats en bij het natuurwetenschappelijke onderwijs op de zesde plaats van de wereldranglijst.

Toch zijn de vandaag gepresenteerde resultaten voor Nederland minder zonnig dan ze op het eerste gezicht lijken. Want ook op een ánder punt behaalt Nederland een toppositie: de afstand tussen autochtone en migrantenleerlingen.

Nederlandse leerlingen, schrijft de OESO in het PISA-rapport, doen het steeds beter, maar de prestaties van allochtone leerlingen blijven daar ver bij achter. En daardoor nemen de verschillen in prestatie tussen scholen toe: scholen met veel allochtone of autochtone achterstandskinderen behalen veel minder goede resultaten.

Nederland lijkt in dit opzicht op landen als Turkije, België, Duitsland en Hongarije. De OESO maakt zich zorgen over de toenemende ongelijkheid in deze landen. Want, schrijft zij in het rapport, juist landen die de verschillen tussen goede en slechte scholen binnen de perken houden, slagen er over het algemeen goed in achterstanden van allochtone leerlingen weg te werken. Landen als Finland, Canada, Noorwegen en Zweden noemt de OESO als voorbeeld.

Dit is een paradoxale conclusie. Immers, juist het Nederlandse onderwijs is door jaren van onderwijshervormingen als geen ander land ingericht op het bieden van gelijkheid.

Sinds begin jaren negentig hebben achtereenvolgende PvdA-bewindslieden echt werk van gemaakt van de emancipatie van achterstandsgroepen. In 1993 voerde staatssecretaris Wallage de basisvorming in. Alle leerlingen zouden tot hun vijftiende jaar hetzelfde onderwijsprogramma volgen. Op die manier konden minder presterende kinderen zich aan hun betere klasgenoten optrekken en werd de definitieve schoolkeuze een tijdje uitgesteld.

Vijf jaar later volgde de tweede fase in de bovenbouw. Door een loodzwaar havo- en vwo-programma aan te bieden, zouden er minder leerlingen naar het hoger onderwijs gaan, dacht staatssecretaris Netelenbos (PvdA). Twee jaar later volgde de invoering van het vmbo: mavo en voorbereidend beroepsonderwijs gingen samen in één grote schoolsoort.

Inmiddels lijken scholen en politiek vernieuwingsmoe. De basisvorming wordt binnenkort afgeschaft, de tweede fase verlicht. Alleen aan het vmbo wordt nog niet gesleuteld, terwijl volgens de Onderwijsinspectie de problemen daar vele malen groter dan op andere scholen: de tekorten aan leraren zijn er het grootst, de segregatie is er groter dan welke onderwijssoort ook en leerlingen vallen veel vaker uit zonder diploma.

De OESO lijkt met het laatste PISA-onderzoek de kritiek op Nederlandse vmbo-scholen te onderschrijven. Volgens PISA-projectleider Andreas Schleicher, die het onderzoek presenteerde tijdens een bijeenkomst van de lobbygroep Lisbon-Council in Brussel, zou Nederland een meer ,,open'' systeem moeten nastreven.

Leerlingen die naar een lager schooltype worden afgeschoven, hebben volgens Schleicher al snel een ,,lager aspiratieniveau''. En daardoor blijven de prestaties achter. ,,In veel Europese landen versterken de onderwijssystemen de verschillen. Finland is een uitzondering.''

Finland, koploper in het PISA-klassement, springt er volgens Schleicher uit door de zeer gemotiveerde leraren. Dat heeft ,,minder met geld'' maar meer met respect en maatschappelijke waardering te maken. Schleicher: ,,Op elke onderwijsvacature komen in Finland negen sollicitanten af. Finland creëert een professie.''

Het PISA-onderzoek toont weer eens aan dat het Nederlandse onderwijs nog altijd gekenmerkt wordt door een grote kloof tussen de leerlingen met een leerachterstand en de overige leerlingen, zegt hoogleraar Onderwijskunde Wim Meijnen van de Universiteit van Amsterdam. Die ontwikkeling is zorgwekkend, vindt hij. ,,Traditioneel moet Nederland het in internationale vergelijkingen hebben van de middelmatige leerling. Die doet het vergeleken met het buitenland goed. Maar nu de autochtone middenklasse duidelijk harder loopt, wordt het verschil met de allochtone leerlingen groter.'' PISA-onderzoeker Schleicher wijst erop dat een land dat individuele aandacht aan achterstandskinderen besteedt, in korte tijd goede prestaties kan halen. ,,Op die manier heeft een land als Polen in drie jaar tijd enorme vooruitgang geboekt.''

Wel relativeert Meijnen de verschillen met het buitenland. Die hoeven volgens hem niet aan het onderwijssysteem te liggen, maar kunnen ook aan de etnische samenstelling van minderhedengroepen liggen. Een allochtone leerling in, pakweg, Letland, is vaak van Russische afkomst. ,,In zo'n land kun je eerder verwachten dat het verschil tussen allochtoon en autochtoon kleiner is dan een land met een grote Turkse minderheid, zoals Nederland.''

Weliswaar hebben de Surinaamse en Antilliaanse leerlingen hun achterstand grotendeels ingelopen, maar met Turken en Marokkanen gaat het volgens Meijnen veel moeizamer. En dat is geen goed vooruitzicht, nu de segregatie ook buiten de grote steden steeds harder gaat, vindt hij. ,,Het is helaas nog altijd zo dat vrijwel niet één zwarte school het landelijk gemiddelde haalt.''