Restaurant

,,Waar wilt u zitten?'' vroeg de serveerster.

Het was niet de gemakkelijkste vraag die ze ons kon stellen. We stonden in een nog vrijwel leeg, maar zeer klein restaurant van overigens grote faam dat slechts over enkele tafeltjes voor twee personen beschikte.

Het zitten in een restaurant is minstens zo belangrijk als het eten – culinaire recensenten zouden er daarom wel eens meer aandacht aan mogen besteden. Staan de tafeltjes (te) dicht bij elkaar, is het een florerende zaak, zodat je niet in een dodelijke stilte hoeft te eten, terwijl het bedienend personeel je elke hap door de keel kijkt? Moet je trouwens lang wachten voor je überhaupt iets krijgt?

Zelf probeer ik altijd te voorkomen dat ik in de buurt van het toilet word geposteerd. Er zit een kiem van ontluistering in zo'n plaats. Alles wordt opeens betrekkelijk en overbodig. Wat jij aan die tafel doet, eindigt in het hokje ernaast. Daar wil ik niet steeds aan herinnerd worden. Je gaat toch ook niet naast een begraafplaats wonen?

In dit geval restte ons weinig anders dan een tafeltje bij de deur. We hadden voor een ander tafeltje kunnen kiezen, maar dan zouden we een jong stel aan een aangrenzend tafeltje in hun intieme conversatie moeten storen. Dat wil je niet op je geweten hebben.

Sommige keuzes in het leven blijken noodlottig te zijn – deze was er één van.

Ridderlijk als altijd koos ik de ongunstige zijde van de tafel, wat mij nóg dichter bij de deur bracht. Een bekende, maar door mij even veronachtzaamde eigenschap van deuren is dat ze geopend kunnen worden. Mensen plegen op die manier ergens binnen te komen, eventueel vergezeld door een windvlaag – als er wind staat.

Die stond er.

Het was zelfs buitengewoon onaangenaam weer. Het woei en het regende. Het leek wel of de mensen door de windvlagen naar binnen gegeseld werden. Ze bleven allemaal even achter mij staan om boven mijn nek uit te hijgen. Meteen maakten ze van de gelegenheid gebruik om hun jas uit te trekken en aan de kapstok, ook vlak achter mij, op te hangen. Regendruppels spatten rond, natte jaspanden schampten mijn rug (,,neem me niet kwalijk''), de wind blies mijn servet van tafel.

Het is opvallend hoe lang een mens onder zulke omstandigheden optimistisch kan blijven. Niet zeuren, zeg je steeds tegen jezelf, straks zit deze zaak vol en dan komt er niemand meer binnen. Gemakshalve vergat ik dat wie buiten staat niet kan zien dat een restaurant helemaal vol is. Hij waagt zich naar binnen, laat de deur achter zich open staan en loopt naar het personeel om te vragen of er nog een plekje vrij is. Op zulke momenten doet de eter er goed aan om de tournedos op zijn bord met beide handen vast te houden.

Gelukkig konden we de weersomstandigheden soms ook even helemaal vergeten. Naast ons schoven drie jonge vrouwen aan. Hun tafeltje stond slechts op enkele centimeters van het onze. Ze keken naar ons voorgerecht en vroegen: ,,Is dat de zeebrasem?''

,,Nee, de rauwe tonijn'', zeiden wij.

,,Dan willen wij dat ook'', riepen ze.

Het verbroedert ook, zo'n klein restaurant.