John Kraaijkamp als jiddische opkoper

De opkoper komt zo, en intussen zien we welk belang de man en de vrouw hechten aan de verkoop van de spullen van zijn vader, die langdurig door hem – de zoon – is verzorgd. De man is goed als goud, en wil de opbrengst zelfs keurig delen met zijn broer die zich nooit om hun vader heeft bekommerd. Maar zijn vrouw is het zat, zij wil nu eindelijk wel eens geld zien en een beter leven leiden. ,,Steek je nek toch 'ns uit!'' roept ze haar man wanhopig toe. En dan komt de opkoper.

The price van Arthur Miller ging in 1968 op Broadway in première en werd nog in datzelfde jaar in Nederland gespeeld door het Nieuw Rotterdams Toneel. Het was ,,een straf en compact geschreven drama'', aldus deze krant. En dat is het nog steeds, zo blijkt nu het stuk op het repertoire is genomen door producent Joop van den Ende – als vehikel voor John Kraaijkamp.

Kraaijkamp is de opkoper. Maar de hoofdrol is dat, strikt genomen, niet. Niet voor niets werd zijn voorganger Sacco van der Made destijds in de recensie als laatste genoemd. De hoofdrol is voor de man die de spullen van zijn vader wil verkopen, en wordt nu gespeeld door Victor Löw.

Tussen de hoog opgetaste bric à brac en de talloze draaipootmeubels waarmee decorontwerper Misjel Vermeiren het toneel heeft volgebouwd, lijkt het drama aanvankelijk meer op een komedie. Dat komt door de onnavolgbare wijsheden van de opkoper, die de hooggespannen verwachtingen onmiddellijk relativeert door een barst in de klankbodem van de harp te zien, en te mopperen dat zulke grote kasten nooit in de slaapkamer van een moderne flat passen.

Miller heeft er nadrukkelijk een joodse handelaar van gemaakt, en Kraaijkamp is de komediant die daar wel raad mee weet. Hij slaat een Mokums-jiddische toon van vroeger aan, met bijpassende geluidjes en gebaartjes. Soms wat overdadig, maar wel zo schilderachtig als Miller het had bedoeld. Ook verder wentelt hij zich met zichtbaar welbehagen in de rol van de oude man die zijn pappenheimers kent – en dus ook heel precies weet met welke omtrekkende bewegingen hij zaken moet doen.

Totdat onverwacht die andere broer verschijnt – aanvankelijk een gladakker met mooie praatjes en een verborgen agenda. Maar allengs lijkt hij steeds geloofwaardiger te worden, en steeds meer bereid om zijn broer een helpende hand toe te steken. Die blijft echter stijfkoppig steken in zijn wrok, ook als Miller een doortrapt spelletje begint te spelen met de vraag wie van de twee nu eigenlijk als tragische held de sympathie van het publiek verdient. Maar tegelijk beginnen dan al die onthullingen over het verleden nogal véél en ietwat larmoyant te worden. Want dan kan ook het uitgewogen naturalisme van regisseur Adrian Brine niet langer voorkomen dat er ouderwets heftig moet worden uitgepakt.

De opkoper is tegen die tijd allang naar de slaapkamer gestuurd, zodat de broers de benauwende ruimte voor zichzelf hebben. Met nerveuze lachjes maakt Victor Löw van de ene broer een kwetsbare man die tenslotte alles aan zichzelf te wijten heeft, terwijl Hans Ligtvoet als de ander heel subtiel schakelt tussen 's mans geslaagde pose en zijn oprechtheid. En in de rol van de vrouw is Edda Barends een toonbeeld van stil verdriet. ,,Alles glipt ons door de vingers'', zegt ze, in de lenige vertaling van Jules Roijaards.

Maar die catharsis in het tweede bedrijf, daarin wist Miller net geen maat te houden.

Voorstelling: The price, van Arthur Miller, door Joop van den Ende Theaterproducties. Regie: Adrian Brine. Gezien: 6/12 in Nieuwe de la Mar, Amsterdam. Tournee t/m 30/3. Inl. (0900) 3005000, www.toneel.nl