Een vlucht van het schrijverschap

Schrijver Jan Cremer is een begaafd schilder. In 1956, acht jaar voor verschijnen van de hemelbestormende roman Ik Jan Cremer, maakte hij een Zelfportret in olieverf. Het is een donker schilderij, helemaal in de stijl van het gematigd expressionisme van die tijd. Cremer schilderde zijn gezicht gevat door een raamwerk van zwarte lijnen. Op de voorgrond prijkt een tafel met daarop een lamp en een pul bier. Het is, ondanks bescheidenheid in afmetingen, een meesterwerk.

Cremers Zelfportret is een van de vierhonderd pas verworven schilderijen, sinds afgelopen vrijdag behorend tot de Nationale Schrijversportrettengalerij in het Letterkundig Museum in Den Haag. Een bijzonderheid is dat de schilderijen niet in de gangbare tentoonstellingsruimte zijn geëxposeerd, maar aan de muur van de gangen waaraan zich ook de burelen van directie en personeel bevinden. De wanden zijn van boven tot onder met de schilderijen bekleed. Dat levert verrassende combinaties op. Een stijlvol negentiende-eeuws portret, waaraan het patina van de tijd diepte geeft, hangt zij aan zij met een hedendaags doek in allesbehalve gedempte kleuren.

Een portrettengalerij biedt een heel andere ervaring dan een reguliere schilderijententoonstelling. Natuurlijk wil de bezoeker zien hoe zijn geliefde schrijver is geportretteerd, of beter: zich heeft laten afbeelden. Dichter Jean Pierre Rawie bijvoorbeeld met doodskop en fles wijn, Jan Cremer met zijn befaamde Harley Davidson en Maarten Biesheuvel samen met vrouw Eva plus een menagerie aan huisdieren en kleinvee, zoals een geit.

De meeste portretten zijn verstoken van attributen en dan zien we de kop van de schrijver die ons aankijkt, van ons wegkijkt of helemaal in zichzelf is verzonken, de blik binnenwaarts gericht. Slechts een enkeling vond het nodig zich met boekenkast, schrijfgerei, boek of werktafel te laten portretteren. Dat is opmerkelijk. De geschilderde schrijver is even geen schrijver en het lijkt erop dat hij of zij, op het moment van poseren, weggevlucht is van het schrijverschap. De beste portretten zijn dan ook die waar een schilderkunstig elan uit spreekt en juist niet een al te grote symboliek. Schrijver Jeroen Brouwers, een schrijver die zegt `bezeten' door de literatuur te zijn, krijgt van Sam Dillemans (2004) een geheel van de literatuur losgezongen portret. In lichtende, impressionistische lijnen treft de schilder Brouwers' karakteristieke kop. Dit werk is een van de heel weinige dat nadrukkelijk buiten is gemaakt. Een portret kan ook zorgeloosheid uitstralen, zoals dat van Harry Mulisch door Aleid Slingerland uit 1976. Hier staan we allesbehalve oog in oog met een gekweld of geposeerd schrijver.

Het Letterkundig Museum stelt voor deze tentoonstelling slechts een voorwaarde: het werk moet in olieverf of acryl gemaakt zijn, dus bestendig tegen licht. Aquarellen en potloodtekeningen vallen daardoor af. De tentoonstelling heeft niet alleen voor de literaire geschiedschrijving veel betekenis, ook in kunsthistorisch opzicht is er veel te beleven. Op eenzame hoogte als schrijversportret staat Gabriël Smit door de surrealistische schilder J.H.Moesman uit 1931. De auteur is niet meer dan een bril, een haarlok en een mond. Achter hem strekt zich een leeg landschap uit. Menig kunstmuseum zou jaloers zijn op de kwaliteit van de schilders. Grote namen als Paul Citroen, Isaac Israëls, Kees Verwey, Jan Hofker, Lia Laimböck, Peter Klashorst, Jan Wiegers en Henri Le Fauconnier hebben zich met de letterkundigen bemoeid.

En dan vergeet ik nog meestervervalser Han van Meegeren die met drie schilderijen is vertegenwoordigd. De auteurs die hij vastlegde, zoals Ben van Eijsselstein en Henri van Wermeskerken, mogen vergeten zijn, Van Meegeren kan geweldig schilderen. In het Letterkundig Museum krijgt hij op deze manier een verrassend eerbetoon.

Tentoonstelling: Nationale Schrijversportrettengalerij. Letterkundig Museum, Den Haag. Permanente tentoonstelling. Inl.: 070-3339666; www.letterkundigmuseum.nl.