De PvdA, Den Uyl en de cyclische emoties

Men hoort wel eens dat het voor deze of gene partij aardig goed kan zijn dat zij, hoewel opgericht om (mee) te regeren, eens een tijdje in de oppositie belandt. Bijvoorbeeld omdat zij (te) lang aan de regeringsmacht is geweest en mede daardoor wordt bedreigd door politieke arrogantie, een te grote gewenning aan bestuurlijke compromissen en een te sterk gegroeid `praktisch tekort' aan ideologische passie. Zo'n partij kan zich dan als het ware gezond kuren in de oppositie en zich daar opnieuw op haar eigen bronnen bezinnen. Daarna kan zij dan weer gelouterd terugkeren in een bestuurlijke rol.

Nou ja, zoiets stichtends en troostends zegt men dan, nog vrij opgewekt, in de regionale afdelingsvergadering of in dat leerzame symposium voor de geïnteresseerde burger. Vaak is het nog waar ook, of valt er althans best wat voor te zeggen. Machtswisselingen horen bij het democratisch proces, kan er als volgend cliché nog aan worden toegevoegd. En ook dat is waar.

Hoewel, wanneer zo'n oppositieperiode te lang gaat duren, en bestuurlijke en praktische werkelijkheden daardoor iets te veel buiten het blikveld raken, schiet een partij er vaak ook weer niet zoveel mee op. Integendeel, dan kan zij verzuren, lijden onder interne twisten en generatieconflicten en wegens gefrustreerde ambities een zekere verongelijktheid gaan ontwikkelen. Voorbeeld daarvan is de oppositieperiode (16 jaar) die de SPD in Duitsland beleefde na de val van kanselier Schmidt in 1982. Ander voorbeeld: de maar door anderhalf jaar regeringsverantwoordelijkheid (in het kabinet-Cals/Vondeling, 1965-'66) onderbroken oppositieperiode die de PvdA kende tussen 1958 en 1973, tussen het laatste kabinet-Drees en het aantreden van het kabinet-Den Uyl dus. Waarbij extra meetelde: 1) de manier waarop het kabinet-Cals gevallen was, namelijk over een `verraderlijke motie' van KVP-fractieleider Schmelzer, althans een motie die volgens velen toen op politiek verraad neerkwam; en 2) dat de PvdA in de oppositie moest zitten, terwijl er na twintig naoorlogse restauratiejaren in Nederland nu juist van alles begon te veranderen. Zoals: een enorme groei van het aantal kiezers (naoorlogse babyboomers) naast beginnende ontzuiling en deconfessionalisering in politiek en samenleving en de verschuiving van het harmonie- naar het conflictmodel op sociaal-economisch gebied. In een land dat die naoorlogse restauratie langzamerhand afsloot en bovendien een prachtige gasbel had ontdekt. Nederland ineens semi-OPEC-land, de gasprijs in dollars aan de olieprijs gekoppeld, de dollar bijna vier gulden, bijna alles kon. Dat is dan afzien, wanneer je met al je aspiraties in de oppositie zit.

Aan wat het voor een partij kan betekenen, zeker ook voor haar humeur en haar meningen, wanneer zij ondanks haar bestuurlijke ambities niet regeert maar in de oppositie zit, moest ik afgelopen vrijdag denken bij het lezen van de bespreking door James Kennedy in deze krant (Boeken) van Remco van Diepens Hollanditis, Nederland en het kernwapendebat, 1977-1987. Dat dikke boek heb ik pas sinds gisteren in huis. Maar wat me in de recensie en bij het doorbladeren van het boek opviel, is dat er eigenlijk opnieuw betrekkelijk weinig aandacht wordt gegeven aan het feit dat de PvdA het grootste en beslissende deel van het kruisrakettendebat sinds eind 1977 beleefde als een oppositiepartij. Als oppositiepartij die na de vier jaar kabinet-Den Uyl, en een verkiezingswinst van tien zetels van zijn naamgever in mei '77, vol dadendrang en zelfbewustzijn zat en zich door de uitkomst van de lange kabinetsformatie (het verrassende centrum-rechtse kabinet-Van Agt) buitengewoon bedrogen voelde.

Reden waarom de PvdA, die zich al sinds 1966 en de opkomst van Nieuw Links polarisenderwijs meester wilde maken van gedeconfessionaliseerde kiezers, met anti-KVP-moties, strijdpunten en ononderhandelbare verkiezingsprogramma's als Keerpunt '72, na 1977 in het kruisrakettendebat een misschien wel laatste mogelijkheid zag om het daaromtrent verdeelde CDA-in-oprichting alsnog in grote moeilijkheden te brengen. Of mogelijk zelfs te splijten. Dat is te zeggen: vooral als opnieuw, en naar eigen oordeel onverdiend, in de oppositie geraakte partij kon de PvdA aan die verleiding geen weerstand bieden. Dus radicaliseerde zij, en Den Uyl c.s., naar een mal, voor alle tijden en situaties geldend onvoorwaardelijk `neen' tegen de kruisraket, verbond zich met huid en haar aan de vredesbeweging en liep dusdoende uiteindelijk in het mes dat voor het CDA bedoeld was. Zó zelfs dat zij, nadat het tweede kabinet-Lubbers in 1984/'85 met een eigensoortig rakettenbesluit een nationale uitweg uit het rakettendilemma had gevonden (dat de eenheid van het CDA bewaarde), al voor de verkiezingen van 1986 kon weten dat zij daarna weer niet zou meeregeren. Pas nadat Reagan en Gorbatsjov in 1987 hun 0-0-akkoord over die raketten hadden gesloten, PvdA-voorzitter Max van den Berg was vertrokken en Den Uyls opvolger Kok `het raam naar de werkelijkheid' had opengezet, kon de partij weer regeringsverantwoordelijkheid dragen, die zij in 1989 in Lubbers-III kreeg.

Nu zal er, zoals Kennedy schrijft, wel een zeker cyclisch patroon zitten in de emotionele intensiteit van grote vaderlandse debatten. Wat betekent dat er wat parallellie te bespeuren is tussen de heftigheid van het kruisrakettendebat en de emotionaliteit en de wederzijdse verketteringen in hedendaagse discussies.

Maar wie zich herinnert hoe PvdA-ministers als Van der Stoel (Buitenlandse Zaken), Vredeling (Defensie) en diens partijgenoot en opvolger Stemerdink in het kabinet-Den Uyl in weerwil van alle radicale geluiden uit hun achterban en hun partijcongressen een degelijk, in feite vrij traditioneel buitenlands- en veiligheidsbeleid voerden, mag zich afvragen of het niet erg veel zou hebben uitgemaakt, ook voor het nationale kruisrakettendebat, wanneer de PvdA na 1977 verder had geregeerd en meer rekening had moeten houden met de internationale werkelijkheid.

Anders gezegd, en hoe iffy het ook mag zijn, en cyclische patronen of niet, het feit dat verkiezingswinnaar Den Uyl najaar 1977, toen het erom ging, zijn radicale partijgenoten niet in hun hok terug wilde jagen, of dat niet durfde, en zo ongewild de weg vrijmaakte voor een kabinet-Van Agt, heeft stellig grote gevolgen gehad voor het rakettendebat daarna.