Vertrouwen in Nederland daalt

Sinds begin dit jaar is Japan, dat verantwoordelijkheid wil nemen voor internationale veiligheid, voor opbouwwerk aanwezig in Irak. In overleg met Nederland werd het gebied gekozen waar Nederlandse troepen voor veiligheid zorgen, maar het voelt zich in de steek gelaten nu Nederland zich terugtrekt.

Minister Kamp (Defensie) was onlangs in Japan. Opgewekt liet hij weten dat Japan Nederland niet had gevraagd langer in Irak te blijven (NRC Handelsblad, 30 november). Zo'n mededeling is een versluiering van de waarheid.

Men beroemt zich er hier graag op dat we één van de best uitgeruste krijgsmachten hebben. Maar het enige dat telt in het internationale verkeer, is het vertrouwen van andere landen in de inzetbereidheid. Dat vertrouwen dreigt een fikse knauw op te lopen.

Neem Groot-Brittannië. Sinds decennia is in Nederland de UK-NL amfibische groep, waarin Britse en Nederlandse mariniers samenwerken, als het schoolvoorbeeld van internationale samenwerking verkocht. Maar toen in december 2002 de Britten, tijdens het oplopen van de spanningen rondom Irak, een oefening in de Middellandse Zee wilden houden en Nederland om deelname met een mariniersbataljon en een amfibisch transportschip verzochten, weigerde Nederland. De Britse minister van Defensie, Hoon, stuurde Den Haag daarop een bittere brief.

We zijn nu bijna twee jaar verder. Terwijl internationaal gevraagd wordt standvastig te blijven, trekt Nederland ongeclausuleerd de troepen terug. Dat wordt ervaren als een gebrek aan solidariteit, in het bijzonder door de Britse bondgenoot. De Britse divisie, waarvan de Nederlandse troepen deel uitmaken, komt voor extra problemen te staan. Britse soldaten zullen de Nederlanders moeten aflossen.

Wie denkt dat zulke dingen geen gevolgen hebben, is naïef. Onlangs bood Nederland voor de NRF, de snelle reactiemacht van de NAVO, een amfibisch transportschip en een mariniersbataljon aan, die vanaf begin 2006 beschikbaar moeten zijn. De NAVO liet echter weten hier geen gebruik van te maken. Ze geeft de voorkeur aan soortgelijke eenheden van andere landen. Is er te weinig vertrouwen in Nederland als het op daadwerkelijke inzet aankomt?

Veelal horen we weinig wat achter diplomatieke taal aan werkelijke gedachten schuilgaat, maar zo nu en dan komt een stukje naar buiten. Een voorbeeld daarvan staat in het pas verschenen boek Vredesmacht in Libanon, de geschiedenis van de Nederlandse deelname aan UNIFIL, 1979-1985 van het Instituut voor Militaire Geschiedenis. In 1985 besloot Nederland als enige van de aanwezige landen zijn compagnie uit Libanon terug te trekken. Dit stuitte op weerstand. Als pleister op de wond werden nog enige geringe risicoloze aanbiedingen gedaan, in de verwachting hier internationaal krediet mee te verwerven. De secretaris-generaal van de VN, Perez de Cuellar, schreef een hoffelijke brief, waarin hij voor het Nederlandse voorstel bedankte, maar het afwees.

Wat men bij de VN werkelijk dacht van het aanbod, blijkt uit de aantekeningen die door de plaatsvervanger van Perez de Cuellar geschreven werden in de marge van de Nederlandse brief.

Bij het aanbod met zo'n betekenisloze presentie aanwezig te blijven schreef hij: ,,no way'', bij de passage dat het toch wel gevaarlijk was geworden in het gebied: ,,Bullshit'' en bij het aanbod eventueel terug te komen als de situatie zou verbeteren: ,,who needs fair weather friends''.

Er is geen reden aan te nemen dat het internationale oordeel over de Nederlandse solidariteit en de bereidheid de krijgsmacht in te zetten voor risicovolle taken, nu beter uitvalt.

J. Schaberg is generaal-majoor b.d. van de landmacht.