Uitgestrooid en uitgewoond

Hoe doe je snel een plasje met een tabberd aan? En hoe eet je met een lange baard? Verslag van een Sinterklaastournee.

Eindelijk thuis. Baard af, pruik af en dan die wenkbrauwen nog, die behoorlijk vastgeplakt zitten. En daarna eten, want dat heb ik de afgelopen dagen amper gedaan. Hier dus met dat restje kalfsvlees, die Franse kaas en dat glas wijn. Mijn sinterklaastournee is achter de rug. Ik ben gebroken.

Dat mijn baard problemen zou geven, merkte ik al tijdens mijn debuut vorige week, voor 52 kinderen in Rotterdam, in het mooiste sinterklaaspak dat ik ooit heb gedragen. Samen met mijn twee pieten Sandra en Wilfred werd ik met een bootje opgehaald en enkele honderden meters verderop weer aan wal gezet. Daar wachtte de ceremoniemeester ons op die vroeg hoe mijn reis was verlopen. ,,Ik moet heel nodig plassen'', zei ik, niet wetende dat het stuk grijs plastic in zijn hand een zendmicrofoon was. Enkele minuten eerder had ik namelijk mijn bril afgezet – de echte Sint draagt geen bril.

In het etablissement klonk gezang uit tientallen keeltjes. Plassen zat er voorlopig niet in. De ceremoniemeester leidde me naar een versierde stoel. En juist toen ik mijn eerste plechtige zin wilde zeggen gebeurde het ergste wat een Sint kan overkomen: mijn baard schoot voor mijn mond. Met verheven bas schreeuwde ik door de plastic haren heen, die als wormen mijn keel ingleden. Toch merkten de kinderen het niet en klom de een na de ander gretig op mijn schoot. ,,Wat ben je groot geworden'', zei ik, of ,,Zo, ben je er weer?''

Zaterdag 4 december was de grote dag. Om drie uur 's middags stapte ik in de auto van Piet Wilfred die me die dag zou dienen. Als eerste deden we Haarlem aan. Toen het afscheidslied was gezongen lagen we al een uur achter op schema.

Op de terugweg naar Amsterdam begon de auto te pruttelen en na enkele honderden meters stonden we stil op de snelweg. De benzine was op. Piet belde de wegenwacht en zei: ,,We staan hier als Sinterklaas en Piet met panne.'' Toen we uitlegden waar we waren, beweerde de telefoniste, mevrouw Pieterman, dat die weg niet bestond en ze dus niemand naar ons toe kon sturen. ,,En hebt u wel geld bij u?'' vroeg mevrouw Pieterman daarop. ,,Want als we u eenmaal gevonden hebben slepen we u naar een pompstation.'' Piet greep in zijn zak en constateerde dat hij zijn portemonnee niet bij zich had. En de tabberd van de Sint heeft geen zakken. ,,We zijn geen Sinterklaas'', zei mevrouw Pieterman.

Ik stapte uit en probeerde passerende auto's aan te houden. Maar hoe vrolijk er ook naar me getoeterd werd, niemand stopte. De Sint is blijkbaar goed om te geven, maar dat hij ook iets zou kunnen ontvangen is nog maar tot weinigen doorgedrongen.

Vervolgens belde Piet naar huis om hulp, terwijl ook de wegenwacht opnieuw werd benaderd. Een half uur later stopte Wilfreds vrouw Hille achter ons. Ze had een jerrycannetje benzine bij zich die ze in onze tank goot. Maar de motor sloeg niet aan. Omdat we al twee uur vertraging hadden opgelopen, besloten we van auto te wisselen en Hille in de berm achter te laten. We kregen ook nog twintig euro van haar, voor als het weer mis zou gaan.

Tijdens de rit belde ik de nummers op onze bezoeklijst af om te zeggen dat we eraan kwamen. Iedereen vatte het moedig op en zo begon eindelijk onze zegetocht door de hoofdstad. Op het derde adres, in de binnenstad, dronken we een glas bisschopswijn, onze eerste versnapering die dag. Maar toen we na een kwartier weer buiten stonden, had onze auto een wielklem. Wanhopig keken we elkaar aan. Een groep dronkelappen passeerde ons en riep dreigend: ,,Het is geen Sinterklaas, het is een hoer.''

Naast ons stopte een taxi, waar een goedlachse chauffeur vroeg: ,,Jullie hebben zeker een taxi nodig.'' Maar waar kom je nog met twintig euro. Op dat moment stopte een busje van parkeerbeheer naast ons en mochten we na een smeekbede ter plaatse de boete voldoen. Bij

het huis waar we vandaan kwamen leenden we 90 euro voor de wielklemverlossing.

We belden het volgende adres om te zeggen dat we eraan kwamen. ,,Iedereen is al weg'', kregen we te horen. Gelukkig hadden we nog een adres. Uren hadden de twee kleine meisjes, hun ouders en grootmoeders daar op ons gewacht. ,,Wat is dat lang geleden'', zei ik tegen een van de meisjes. Ze antwoordde: ,,Ik heb u toch eergisteren op de atletiekclub gezien.'' Haar ene grootmoeder vond dat ik er uitgehongerd uitzag en duwde een stuk Franse kaas in mijn mond, dat werd tegengehouden door een spinnenweb van baardharen. ,,Sint moet even plassen'', zei ik toen en verdween in de wc met het hele bord kaas.

En dan gisteren. Met Piet Sandra ging het naar Rijnsburg waar we een bezoek zouden brengen aan een vrouw die tien kinderen had geadopteerd. Op weg naar haar huis werden we door een Tokkiegezin uitgescholden. Tegen Sint: ,,Je bent een oplichter'', tegen Piet: ,,Je stinkt.''

Maar gelukkig zagen we daarna alleen maar kinderen die waarlijk in ons geloofden. Al liepen we opnieuw vertragingen op, kropen we op het laatst uit de auto, werd één naar Sint en Piet smachtend gezin weer niet op tijd gehaald en drong mijn plastic baard steeds dieper mijn mond binnen.