Schoolplein Nederland

Deze rumoerige tijd vraagt om de weerbaarheid van de gematigden. De woorden zijn van Paul Scheffer, in zijn essay in M, het maandblad van NRC Handelsblad van december. Verstandige woorden, vind ik. Kijk en lees om je heen, nergens tref je gematigdheid – gematigdheid wordt afgedaan als soft, als politiek correct, als laf. Als onmannelijk, als je het goed bekijkt.

Dit is de tijd van de macho's, van de strijders, van onverzettelijkheid en agressie. De wereld is verdeeld tussen de laffen en de dapperen. De dapperen zeggen waar het op staat, ze deinzen nergens voor terug, ze prediken de leer van het geweld, fysiek dan wel verbaal.

De laffen zijn lieden als ik; volgens de dapperen willen wij lafaards de werkelijkheid niet onder ogen zien, en die werkelijkheid wordt voorgesteld als oorlog.

Op straat merk je niets van de oorlog. De Turkse groenteman verkoopt zijn paprika's en aubergines aan wie ze kopen wil, de Marokkaanse slager hakt een lamsboutje in kleine blokjes als je daarom vraagt, bij de Nederlandse bakker voltrekt zich het ritueel van het praatje over het weer alsof er niets aan de hand is.

De oorlog woedt voornamelijk in de media. Het is lang geleden dat ik zo'n discrepantie waarnam tussen de werkelijkheid en de media, maar ik wil de media nergens van beschuldigen.

Of misschien toch wel, op een klein puntje: het was niet zo'n goed idee om schrijvers per woord te betalen. Het gevolg is namelijk dat sommige schrijvers veel woorden gebruiken om maar een klein ideetje te berde te brengen. Zoals Joost Zwagerman, in Trouw van een paar weken geleden. Het ideetje in zijn meer dan vijftienhonderd woorden tellende stuk kwam niet eens van hem. Het kwam van Hanneke Groenteman, die ooit gezegd schijnt te hebben dat Theo van Gogh op papier misschien doorschoot in antisemitische richting, maar dat zij zeker wist dat zij, zelf van joodse afkomst, in tijden van echte nood bij hem zou kunnen onderduiken. Met andere woorden, Theo van Gogh deed niet wat hij predikte, in feite was hij de liefaardige onschuld zelve. Met nog andere woorden: zijn woorden hoefden niet serieus te worden genomen. En met de laatste andere woorden: Theo van Gogh was een goedaardige blaaskaak.

Ik wil dat laatste best geloven, al wil ik liever niet worden omringd door blaaskaken of door vrienden van blaaskaken. Blaaskaken blijken heel veel vrienden te hebben, merk ik de laatste tijd, dikke vrienden die brieven schrijven die zij adresseren aan de koningin en nog eens in sierschrift laten afdrukken in kranten – maar zie wat Joost Zwagerman van dit dunne ideetje maakte: een heel verhaal van vijftienhonderd woorden over de stelling dat men in tijden van nood niet zou kunnen onderduiken bij mensen als ik en Jan Blokker. Onze onaardigheid is welgemeend, wij doen wat wij zeggen, daarom zijn wij gevaarlijk en verraderlijk.

Zo'n opinie had ook in dertig woorden gekund, maar dat schiet financieel niet op, en ik vat Joost Zwagermans paginavullend stuk op als een compliment, want in zijn denkwereld moeten mensen die doen wat ze zeggen toch de echte helden zijn. Joost Zwagerman is een royale jongen, niet zozeer met ideeën, als wel met woorden. Ik heb bovendien begrepen dat hij graag door mij genoemd wil worden in mijn columns, het is een naar aandacht snakkend joch. Bij deze, Joost. Ik heb ook een royale kant.

Ook Paul Steenhuis gaf mij er van langs, in NRC Handelsblad van 30 november, en hij wordt niet per woord betaald, hij is in vaste dienst, hij deed het dus helemaal gratis. Steenhuis vindt dat nodeloos sarren een groot goed is. Die Steenhuis wil een kampioen zijn in zinloos verbaal geweld, een echte kerel, ook al mag hij van NRC Handelsblad vooral de jeugdpagina's redigeren; desondanks een kerel die ik op het schoolplein zou mijden.

Nederland heeft nu wel iets van een schoolplein. Op elk schoolplein heb je bullies, bullebakken en pestkoppen die er behagen in scheppen anderen te pesten. Denk niet dat ik mij hier van een zwart-witschema bedien. In Nederland heb je zowel allochtone als autochtone pestkoppen. De allochtone pestkoppen willen op verzoek van de televisie wel roepen dat Mohammed B. een held is; ik zag het op AT5, goddank dat dat geen nationale omroep is, maar de jongen wilde wel met zijn rug naar de camera roepen dat Mohammed B. zijn held was en dat hij in de gevangenis vol moest houden. Beschamender televisie is nauwelijks denkbaar. De autochtone pestkoppen willen zelfs zonder speciaal verzoek roepen dat de islam achterlijk is, uit hoofde van hun specialisme, dat uit weinig meer bestaat dan uit het gevoel dat Nederland nu toch echt bedreigd wordt door migranten met een voorliefde voor geiten. Ook meer ingewikkelde combinaties zijn denkbaar, zoals allochtonen die de islam achterlijk noemen en autochtonen die Geert Wilders de dood toewensen, als het kan binnen twee jaar. Pestkoppen heb je in alle soorten en maten, de enige overeenkomst is de pesterij. Pesterij is een nationale hobby geworden in Nederland, sarren is een teken van kracht, sarren is verheven tot een principe, we leven in vechtlustige tijden.

Dit is, voor de goede orde, geen moralistisch oordeel. Ik was op het schoolplein geen pestkop. Niet omdat ik pesten verkeerd vond, maar omdat ik een klein opdondertje was. In mijn schooltijd had ik maar al te graag een pestkop willen zijn, maar ik was door mijn postuur veroordeeld tot de zwakken, de miezerigen, de vrouwelijken, in de grote mensenwereld heet dat: de gematigden.

Er schuilt een tegenstrijdigheid in Paul Scheffers oproep tot weerbaarheid van de gematigden. Gematigden zijn juist gematigd omdat ze niet weerbaar zijn. Je wordt niet gematigd omdat je verstandig bent, je wordt gematigd omdat je weerloos bent.

Deze tijd kan wel vragen om een beetje verstandigheid, een beetje vriendelijkheid, een beetje aardigheid en een beetje vrouwelijkheid, maar de pestkoppen zijn nu even aan het woord. Wij softies, wij politiek-correcten, wij braverikken en lafaards die een beetje vrede willen omdat we niet kunnen vechten, wij moeten even onze mond houden. Het woord is aan de macho's.

ramdas@nrc.nl